1. De hoeder van het hiernamaals
De biologische selectie van leden van het Politbureau gaat gehuld in
een groter geheim dan de schepping van de steen der wijzen, hoewel het
daarmee onvergelijkbaar is wat staatsbelang en wat onkosten betreft. Toen
kameraad Romanov – de baas over Leningrad en secretaris van het
regionaal comité – zijn dochter ten huwelijk gaf, moest Lodewijk
XV paars van jaloezie worden. Er werd een feestmaal gegeven in het Tavritsjeski
Paleis, temidden van de gobelins en de marmeren Russische tsaren, en door
de bescherming van geheim agenten zou er geen vlieg naar binnen kunnen
springen. Men behoorde ananassen en hazelhoenders te eten van het goud
en porselein van het tsaristische servies. Daartoe werd het bevel gegeven
het paradeservies voor honderdvierenveertig personen uit de depots van
de Hermitage te halen, dat door de tsarina Catherina de Grote was nagelaten
aan de volksschatkamer.
Er volgde een telefoontje vanuit het Smolnyj: het servies verpakken en
aanleveren. De bewaarster van de afdeling tsaristisch serviesgoed, een
armoedige blozende kunsthistorica met een salaris van honderdveertig roebel,
antwoordde met trillende stem dat zij de toestemming moest hebben van
de directeur van de Hermitage, professor Piotrovski. Daarna begon ze te
snikken en beduimelde ze een Sjipka-sigaretje: een pracht en praal uit
de stad Sèvres, achttiende eeuw…! Ze zullen het servies kort
en klein slaan! De vandalen! En de rest zal worden verpatst…
De professor verkondigde, verstijfd van dapperheid: “slechts over
mijn lijk”. Hem werd uitgelegd dat die hindernis niet al te groot
was.
Piotrovski belde persoonlijk Romanov op “voor een kwestie van staatsbelang”.
Hij vroeg om een schriftelijke verordening bij de minister van Cultuur
van de USSR. Kameraad Romanov had echter niet voor niets een lange weg
als leidinggevende achter zich, van spermatozoïde tot lid van het
Politbureau, en daarnaast kon hij met zijn volk communiceren. “Dus
jij verlangt van mij dat ik toestemming vraag aan Petka Demitsjev?”
– zei hij vrolijk verbaasd. – “Wil je dat de nieuwe
directeur van de Hermitage je over vijf minuten uit de studeerkamer de
straat op schopt?”
Piotrovski was goudeerlijk en bovendien een groot geleerde, maar ook een
sovjetmens. En daarom belde hij zonder de hoorn ook maar neer te leggen
de ambulance en ging naar het ziekenhuis om opgenomen te worden.
Na die organisatorische beslommeringen ging het einde van de dag over
in het begin van de nacht, toen de auto uit het Smolnyj uiteindelijk aankwam
bij de Hermitage. Een paar stevige jongens in grijze kostuums, begeleid
door de vice-directeur en de huilerige conservatrice, gingen over de dreunende
lege enfilades om de borden voor de eettafel van de nomenclatuur te halen.
Ze stappen voort, in de zwakke nachtelijke verlichting, door monumentale
labyrinten, en plotseling, tijdens het lopen, horen ze: toe-doek, toe-doek…
zware ijzeren stappen over de stenen tegels.
Een ritmisch, uit het hiernamaals afkomstig geluid.
Ze komen juist langs een opslagplaats van Middeleeuws wapentuig. Strijdbijlen
en speren zetten hun stekels op vanaf de muren, en twee rijen ridders
in harnas bewaken de doorgang.
Toe-doek, toe-doek!
In de deuropening treedt over de gang zo’n ridder naar voren.
In een zwart Neurenbergs pantser. Het vizier van de helm is neergelaten.
In een strijdhandschoen wordt een blauwachtig spiegelend zwaard uit Toledo
ten hemel geheven. En het schild met wapen erop weerspiegelt in het zilveren
graveerwerk.
Met de onzekere tred van een dode beweegt hij zich erin, kletterend met
zijn stalen schoenen en klingelend met stervormige sporen. In de stilte
van middernacht horen ze in de verte een verschrikkelijk hondengejank.
De processie deinst verstijfd en met knikkende knieën terug.
De gealarmeerde ridder brult als een bezetene vanonder zijn vizier en
rochelt met laryngaal Germaans gefoeter. Hij beschrijft met een fluitend
zwaard een flitsende boog – toe-doek! Toe-doek! – het komt
steeds dichterbij…
Door de achteruitgang vluchten de schenders weg, en iemand heeft het al
in z’n broek gedaan.
2. De partizaan
In 1942 was Tolik Tarasjoek tien jaar. Zijn vader was aan het front verdwenen
en moeder was als gijzelaar omgekomen. Het jongetje liep met het partizanenregiment
mee. In de Wit-Russische bossen waren er veel van dat soort regimenten:
één derde krijgers, en de rest gezinnen uit afgebrande dorpen.
Jongens houden van vechten, en de soldaten die van hen houden prijzen
hun onverschrokken stoutmoedigheid. Die ene, die kleine en stille, was
gewoon een geboren strijder: zijn arm was steviger dan een pijler, en
zijn oog was zeer scherp. En een volledige afwezigheid van zenuwen. Met
een geweer kon hij op honderd meter afstand spijkers inslaan.
Soms gebruikten zij de jongetjes voor communicatie en verkenning. Maar
het talent van Tarasjoek werd hoger aangeslagen. Ze vonden voor hem een
bijzondere plaats in de strijdformatie.
Nu heerst er een slecht beeld van de wreedheden in die oorlog. Terwijl
de Duitsers mensen neerschoten, ophingen en verbrandden in hun huizen,
begoten de partizanen de gegrepen krijgsgevangenen bijvoorbeeld in de
vorst met water en zetten vervolgens de ijzige figuren met uitgestrekte
arm neer om te dienen als wegwijzer. In de mond werden afgesneden genitaliën
gestopt, en het bordje op de borst verduidelijkte dan: “Fritz houdt
van ballen”.
De belangrijkste partizanenbezigheid was het beroven van opslagplaatsen:
levensmiddelen, munitie, wapens – een combinatie van zelfbevoorrading
en het toebrengen van schade aan de vijand. Er was ook nog sprake van
het opblazen van spoorwegen en bruggen. Dat alles werd bewaakt. En men
kon alleen aan de slag zonder geluid te maken. Daarom werd de bekwaamheid
wachters neer te halen bijzonder gewaardeerd.
Geconfisceerde stroken rondom Duitse objecten waren helemaal van bebossing
gezuiverd en ongemerkt naderbij sluipen was feitelijk uitgesloten. De
wachters lieten onder geen enkel voorwendsel iemand naderbij komen.
Er kwam ergens vandaan een huilend jongetje aangestrompeld in een te grote
gewatteerde jas gestoken, tegen de kou. Toen hij de wachter zag, vroeg
hij klagelijk: “Brot, Kamerad, Brot!” en hij toonde een gouden
zakhorloge. Hij wilde het geven, voor een stuk brood dus. De wachter kreeg
medelijden met het verkilde hongerige kind… en het horloge zag er
duur uit. Hij keek om zich heen om te zien of de superieur niet in de
buurt was, hij liet het jongetje dichterbij komen, en bekeek het horloge
nader. Het jongetje leunde wankel van zwakte een ogenblik tegen hem aan
en door de zak van zijn gewatteerde jas schoot hij van vlakbij met een
kleine damesbrowning.
De door de kleding gedempte knal was bijna onhoorbaar. Het pistooltje
was een zwak speeltje. Het piepkleine nikkelen kogeltje moest precies
door het centrum van de zonnevlecht gejaagd worden, anders kon de Duitser
zijn hand naar het hart opheffen en nog reageren.
De wachter zakte in elkaar en was klaarblijkelijk op slag dood. Het jongetje
moest de helm tegenhouden en de mitrailleur, zodat er tijdens de val geen
metaal rammelde.
En dat tienjarige (in het oorlogsjaar al elfjarige) jongetje legde op
die manier achtentwintig wachters neer. Niet iedere gedecoreerde sluipschutter
aan de frontlijn had een dergelijke score.
Slechts één keer beefde zijn hand. De Duitser was vrij oud,
had een bril op en kwam uit de achterhoede van de bewakingseenheden. Zonder
zijn rechterarm achter de karabijnriem weg te halen, pakte hij met zijn
linkerarm het horloge af en haalde uit de zak van zijn mantel een stukje
chocolade in waspapier. Aan de linkerhand miste hij een pink. Het jongetje
hield onwillekeurig zijn blik gericht op die pinkloze hand met chocolade,
en het schot was, zo leek het, niet helemaal precies raak. De ogen van
de Duitser sloten zich in plaats van levenloos te worden, hij zakte in
en viel. Maar hij lag bewegingsloos, en de partizanen kwamen al uit hun
verschansing aangerend, geluidloos. Om toe te geven aan zijn twijfel en
nog eens voor de zekerheid te schieten, daar schaamde het jongetje zich
voor, het stond de trots van een strijder en professioneel in de weg:
onzuiver werk.
In 1944 komen de Tien Stalinistische Slagen! – Het Sovjetleger had
Wit-Rusland bevrijd. Bij de loskoppeling van zijn regiment werd hij door
de commandant voorgedragen voor de Orde van de Rode Vlag. Maar dat vonden
ze toch wel wat te veel van het goede voor dat jochie, en ze beperkten
zich tot een medaille “Voor Oorlogsverdiensten”.
Met die medaille kwam hij in een weeshuis, om na een driejarige onderbreking
naar school terug te keren, naar de derde klas.
3. De cursist
Hij was gewend zich geheel onbevangen te voelen bij elk willekeurig publiek
– hij behoorde tot de besten, een partizaan, en geen rat uit de
achterhoede. Zijn trots stond het niet toe slechter dan wie dan ook te
leren, zijn kinderhersenen maakten de omissies goed: in zeven jaar voltooide
hij tien klassen.
Een leraar in de militaire beginselen was helemaal dol op hem en voorspelde
dat hij tot de uitblinkers van de militaire school zou gaan behoren: in
een rechte lijn!
Hij stapte over op een gerichte opleiding – verbleef een week in
de militaire school, snoof de geur van de kazernes op, rende met laarzen
aan naar de gymnastiekoefeningen, pakte zijn koffertje en deelde de leiding
mee dat dat getreuzel niet iets voor hem is. Vechten – dat wel,
met veel vreugde, een beetje schieten – altijd alstublieft. Laat
echter anderen maar op de statuten zwoegen en in slagorde naar de plee
marcheren, zij die nog geen kruit geroken hebben. Hij vindt dat niet leuk.
‘En wat vind je dan wel leuk?’ vroeg de ferme kolonel, met
medeleven zijn dossier doorbladerend.
‘Schieten’, zei Tarasjoek openlijk.
‘Op wie wil je nu, in vredestijd, gaan schieten?’
‘Nou… er kon nog wel iets of iemand gevonden worden. Ik hou
in het algemeen van wapens.’
‘Misschien moest je dan maar leren voor ingenieur en in een wapenfabriek
gaan werken? Zo iets?’
‘Ik hou niet van wapens vanuit het gezichtspunt van een wapensmid…
dat zou er nog bij moeten komen! Ik ben strijder geweest, geen reparateur.
Ik vind het gewoon leuk… er mee te maken te hebben.’
‘En hoe wil je er mee te maken hebben?’
‘Kunt u schieten?’
De gekrenkte kolonel, voormalig frontsoldaat, begeleidde de te veel van
hem vergende snotneus naar de schietbaan, tevreden met deze mogelijkheid.
En daar schoot hij met zijn Walter in gechromeerde generaalsuitvoering
(trofeegeweren waren nog niet van de officiers afgenomen) ijverig 29.
‘De Duitsers hebben goed spul, - merkte de op te leiden cursist
op. – Maar voor het echte werk prefereer ik een Tsjechische Škoda
– die is comfortabeler in de hand, en de snelheid ervan is hoger:
hij ging dwars door de gesp van de riem heen! De kogel gaat dwars door
glas – er komen zelfs geen barstjes in, een heel mooi rond gaatje.’
Hij pakte volgens de regels met de handgreep naar voren de Walter vast,
en zette de achtergebleven vijf kogels één voor één
in de patroonhouder.
‘Godsamme, jij bent me er eentje’, zei de kolonel.
‘De Amerikaanse Colt-32 heeft de hoogste snelheid’, ging Tarasjoek
verder. Het gat van de inslag is even groot als dat aan de achterkant.
Je schiet door papier – het vel verroert zich niet en er wordt een
klein rondje uitgesneden. Hoewel de koning van precisie in de strijd natuurlijk
de Mauser is, maar die heeft een enorme loop en het magazijn is gigantisch
groot.
‘Een goed voorbereide cursist’, bekende de kolonel. ‘Is
dat alles, of heb je er nog iets aan toe te voegen?’
De aangemoedigde Tarasjoek knoopte vrijelijk de kraag van zijn blouse
los.
‘Kijk, dit is bijvoorbeeld geen mes’, doceerde hij en hij
drukte met zijn vinger op de bajonet die aan de riem van de dienstdoende
sergeant hing.
‘Staat u mij toe mij tot u te richten, kameraad kolonel?’
zei de sergeant. ‘Geef me die jonge knaap voor het schoonmaken van
deze ruimte – bij de reveille geef ik hem geheel gehoorzaam terug!
De slimmerik…’
‘Het staal van de bajonet zit los op het geweer en is zacht - opdat
hij in het lichaam niet kapotgaat; daarom heeft het lemmet geen weerhaak,
ermee snijden is onmogelijk’, versnelde Tarasjoek. – De handgreep
is niet comfortabel en glijdt weg uit de hand, en tijdens het gebruik
komt er bloed op – alsof hij helemaal is ingezeept. En hij is allerminst
in evenwicht te brengen, ermee gooien heeft absoluut geen zin.
‘Ik ben niet geautoriseerd om jou bij de raadgevers van de generale
staf aan te bevelen, zei de kolonel. Jij zou hun natuurlijk uitleggen
hoe het mes moet zijn.’
‘Wat valt er uit te leggen – zo een als de Finnen hebben.
Het lemmet met een driehoekig profiel, gehard… Je buigt het en het
gaat niet kapot: alleen aan de buitenkant is er hardheid, maar van binnen
is het zacht. Het handvat is van hout, met een inkerving – licht,
en in de vlucht werkt het als een stabilisator. Het lemmet is zes vingers
breed, meer heeft namelijk niemand nodig.’
‘En de bajonet?’ zei de sergeant meesmuilend, terwijl hij
zich voor de vraag boog.
‘De oude bajonet was met vier vlakken goed: hij gaat er goed in,
buigt niet in het lichaam, een wond ervan sluit niet, en tijdens het schermen
tref je makkelijker met een langere.’
‘Jij moet regelrecht naar de universiteit’, merkte de sergeant
vinnig op.
‘O ja, is er dan een universiteit waar ze lesgeven in wapens?’
vroeg Tarasjoek onnozel.
De gedachte aan de mogelijke afwezigheid van zo’n universiteit verontwaardigde
de kolonel.
‘Wat is het belangrijkste in de regering – wat? vroeg hij
vermanend: - het leger! Wat is de hoofdzaak voor een militair –
wat? – wapens! Hoe zou het kunnen dat er in ons land niet zo’n
universiteit was?!’
4. De aankomende student
Op één september 1952 arriveerde Tarasjoek op de historische
faculteit van de Universiteit van Leningrad.
In zijn hand had hij datzelfde “sportkoffertje”. In het koffertje
zaten: een schoon overhemd, een fles cognac, de medaille “Voor Oorlogsverdiensten”,
een lugerpistool en een boek van V. Beider, getiteld Middeleeuwse blanke
wapens. De complete verzameling van een gentleman.
Hij schreed voort naar het decanaat, waar hij een sacramentele vraag stelde:
‘Is het waar dat bij jullie in wapens onderwezen wordt?’
‘Op de universiteit wordt veel onderwezen’, antwoordden ze
hem met een vage waardigheid. ‘Maar de toelatingsexamens zijn allang
afgelopen.’
‘Misschien moet ik mij nog niet tot u wenden’, stelde de bezoeker
gerust. ‘Wordt het onderwezen? Of niet?’
‘En wat interesseert u eigenlijk?’
‘Mij interesseren eigenlijk wapens’, antwoordde hij haastig.
‘En welke wapens precies?’ vroeg de vervanger van de studentendecaan
beleefd geïnteresseerd.
‘Precies alle… Vuurwapens, blanke wapens… lichte, zware,
belegeringswapens, moderne, Middeleeuwse, antieke ook, allemaal eigenlijk.’
‘Huhuh. Dus moderne of antieke? Er is, weet u, een verschil…
en in het bijzonder wat de toepassing betreft. Heeft u, als u mij toestaat
zo nieuwsgierig te zijn, een puur wetenschappelijke interesse in wapens,
of is er nog iets anders?’ preciseerde de vervanger van de decaan
met de voorkomendheid van een Petersburgse intellectueel.
‘Wetenschappelijk én praktisch’, zei Tarasjoek. ‘En
soms is er helemaal geen verschil. Een Frankisch zwaard uit het begin
van ons tijdperk wijkt, laten we zeggen, in niets af van een artilleriesabel
uit de achttiende eeuw. En een Middeleeuws ridderlijk artilleriesabel
voor gepantserde duels wijkt in niets af van de moderne Spaanse stiletto.’
‘Huhuh’, zei de vervanger van de decaan onverstoorbaar. ‘Wij
hebben bij de vakgroep mediëvistiek inderdaad een werkgroep over
de geschiedenis van blanke wapens. Komt u volgend jaar, één
augustus, en doet u dan examen.’
‘Waarom uitstellen?’ wierp de bezoeker tegen. Hij opende zijn
koffertje en legde een diploma van een tienjarige middelbare school neer,
een rapport met cijfers van toelatingsexamens voor de hogeschool en een
bewijs van deelname aan de partizanenbeweging. Bovenop legde hij de medaille
en ernaast zette hij een fles cognac.
‘Huhuh’, zei de vervanger van de decaan vrolijk. ‘Hoe
zing je dat? – “De partizanen gaan nu op pad”…
Heeft u geen automaat bij u?’
‘Alleen een parabellum’, zei Tarasjoek.
Met die documenten werd hij geruisloos opgenomen in het eerste leerjaar,
ondergebracht in de Zesde studentenflat aan de Mytninskaja kade en voorzien
van een studiefinanciering.
5. De student
De werkcolleges beginnen in het derde leerjaar. De eerstejaarsstudent
Tarasjoek kwam op de eerste les als toehoorder van de hogeschool. Op de
tweede les deed hij een wetenschappelijke ontdekking. Een akinak –
een zwaard van de oude Scythen – was niet alleen een steekwapen,
zoals tot dusver verondersteld werd in de historische wetenschap, maar
een steek- én hakwapen.
Het vroegere uitgangspunt baseerde zich op een vaas met een fresco, waar
een Scyth van plan is een ander met een akinak te steken. Hieruit blijkt
dat de historische wetenschap ook met betrekking tot de oudheid niet altijd
moeite doet steekhoudende argumenten te zoeken.
‘Wat voor idioot heeft gezegd dat het alleen een steekwapen is?’
vroeg Tarasjoek met de minachting van een doorgewinterde partizaan.
De leidster van de werkgroep, een steile professor, was geschokt.
‘Uh-uh…’ zei ze met een hortende tenorstem. ‘Als
we kijken naar de afbeelding, dan is volstrekt duidelijk te zien…’
‘Wat is te zien? Steken kun je ook met een damschijf! Kijk eens,
zo kunt u een lepel, waarmee men u op het voorhoofd tikt, een bot blank
wapen noemen’, onderbrak de oneerbiedige toehoorder.
‘In archeologische vondsten zijn geen sporen van snijranden of wat
dan ook gevonden, - verdedigde de dame zich.’
‘Tweeduizend jaar in de aarde? Roest, roest heeft de snijranden
opgegeten!! Wat moest dat wel niet voor kwaliteit staal zijn, dat het
in tweeduizend jaar in de aarde niet geheel tot poeder verworden zou zijn!
De roest heeft ook het scherp opgegeten…’
‘Er zijn studies van specialisten…’
‘Hebben die specialisten van u ooit zelf wel eens een ram geslacht?’
‘En u, als u mij niet kwalijk neemt?’
‘Ik heb van alles geslacht. Zegt u eens: welke dwaas gaat een lemmet
van een halve meter lang in zijn hand meeslepen, en de snede niet scherpen
om te hakken en te snijden? Lui, of het verstand verloren? Dat is dus
geen strijder! Een akinak is niet korter dan een Romeins zwaard. En om
alleen te steken hadden ze al een smalle lichte degen bedacht.’
Hieruit volgt dat Tarasjoek met alle gloed van de jeugd en de superioriteit
van een veteraan zich in de leerboeken heeft gegraven. En de resultaten
maakten dan ook indruk op de omringenden.
‘Als u onze werkgroep wilt bezoeken…’
‘Ja, daar heb ik de hogeschool voor laten vallen!’
‘Misschien ook wel voor niets. Kijk eens: wanneer u zelf professor
wordt…’
‘En hoeveel jaar is daarvoor nodig?’ onderbrak Tarasjoek.
‘Drie jaar aspirantuur – als u de universiteit beëindigt,
waarvan ik niet overtuigd ben, en als u met de aspirantuur begint, waarvan
ik nog minder overtuigd ben…’
‘Twijfelt u niet, - verzekerde hij. – En verder?’
‘En verder – een proefschrift vergt soms tien jaar, en soms
nog langer. En dat moet ook nog eens verdedigd worden!’
‘Tegen wie?’
‘Tegen de opponenten.’
‘Da’s niet verschrikkelijker dan Duitsers. En wie zijn dat?’
… De akinak werd zijn eerste werk in de Wetenschappelijke Studentengemeenschap.
Hij was geen intellectueel, en dat is hij nooit geworden; echt niet, en
hij probeerde zich niet voor als zodanig uit te geven. Het niveau van
zijn esthetische aanmatigingen was ongeveer zo: wanneer in een gezelschap,
laten we zeggen, een nieuwe film besproken werd, bracht Tarasjoek de waardering
van een specialist naar voren:
‘Je reinste leuterpraat. Een tiental schietijzers knalt in zijn
richting, hij zwemt het riviertje over – ah! oh! gered! –
ha! ik knal hem op vierhonderd meter neer met mijn geweer - net zo makkelijk!’
Zijn liefde voor wapens nam geen genoegen met theorie – hij schoot
ook zelf. Hij schoot op de universitaire schietbaan met een geweer van
een klein kaliber, een pistool van een klein kaliber en een sportrevolver
– meer was er helaas niet. En wanneer hij in plaats van tien slechts
negen treffers had, raakte hij ontstemd.
Maar aanbiedingen om aan wedstrijden deel te nemen verwierp hij: een geleerde
verlaagt zich niet tot het spelen met hersenloze sporters, van hem konden
ze de pot op.
6. De kandidaat
Het thema van zijn scriptie was het zwaard met twee handgrepen en een
“vlammend” lemmet.
Bij een dergelijk zwaard is bijna heel het lemmet – behalve de laatste
anderhalve voet – zigzagvormig. Geleerden hadden het voor de hand
liggende begrepen: een slag wordt alleen toegebracht met het einde, waar
het normale scherp is. Het één meter lange, op een sinuslijn
lijkende stuk is echter ontstaan door nabootsing van schilderijen die
aartsengelen met vurige zwaarden uitbeelden: een golvende vuurtong. En
in dissertaties werd geschreven: “De invloed van de christelijke
religieuze schilderkunst op de bewapening van ridders en kruisvaarders”.
De oneerbiedige Tarasjoek liet geen steen overeind van de geleerde heren.
Wapens zijn altijd uiterst functioneel! – bracht hij woedend uit.
Ze worden versierd – ja, maar verandering van vorm ten bate van
de ideologie – dat is belachelijk! (dat was 1957, het jaar van vrijdenkerij.)
Paradewapens, ceremoniële wapens; ja, dergelijke snuisterijen komen
voor. Maar het strijdzwaard – daarvan moet je niet te veel verlangen,
blijf er in ieder geval mee in leven, je moet het er heelhuids vanaf brengen
en overwinnen, donder toch op met dat schildergedoe.
De uitvinder van dat zwaard was een genie; Tarasjoek was in vervoering
geraakt. Na de Eerste Kruistocht bedacht hij om de kracht van een groot
zwaard te verenigen met het snijdeffect van een gekromde Arabische sabel:
hakken met een zogenaamd “potjag” gaat beter dan met een gekromd
lemmet, je trekt hem naar je toe – en de buiging snijdt zelf, het
principe van een zaag. Maar de sabel doorklieft geen stalen kledij, terwijl
een gekromd zwaard met twee handgrepen een lichaamslengte van drie meter
vereist, waarover zelfs de beste ridders niet beschikten: daarom zijn
er enkele krommingen - het is de combinatie van een zwaard, sabel en zaag!
Het gepareerde lemmet van de vijand blijft makkelijker in het diepe deel
van de kromming en glijdt niet tot het begin van de handgreep - de beschermingskwaliteiten
worden verbeterd, het is eenvoudiger over te gaan naar een voor jezelf
verbazingwekkende uitval. De zigzagvormigheid geeft het zwaard een vering
in de lengteas – waardoor bij het pareren de klap op de handen verzacht
wordt en de verdediging bij het schermen wordt vereenvoudigd. Uiteindelijk
verleent diezelfde vering de klap met het einde van het lemmet een toegevoegde
kracht: dus is de klap van een “goedendag”, gemaakt van een
loden bol op een buigzaam handvat van baleinen, krachtiger dan de klap
van een hamer met hetzelfde gewicht en een stevige houten steel van dezelfde
lengte.
De vakgroep en de opponenten, glimlachend om het temperament, haalden
hun schouders op. Maar ze hadden ongelijk in de onderschatting van de
kandidaat. Toen hij klaar was met het theoretische deel van de verdediging,
ging de bezwete Tarasjoek over naar het demonstratieve deel: hij knikte
naar een eerstejaarsstudent die in de zaal bij de deuren zat:
‘Kostja – kom!’
Kostja verdween en keerde na een minuut terug met een andere eerstejaarsstudent.
Triomfantelijk droegen zij, als koninklijke herauten de hofschat, een
anderhalve meter lang zwaard met twee handgrepen en een vlammend lemmet.
Het geglimlach van de commissie werd onzeker. Tarasjoeks ogen begonnen
te fonkelen. Hij pakte het zwaard en deed een uitval. De scriptiecommissie
werd uit haar stoelen gevaagd. Het publiek begon te schreeuwen van opwinding.
De helpende eerstejaarsstudenten haalden uit hun tas een ijzeren staaf
en legden die met de uiteindes tussen twee stoelen. Tarasjoek haalde kwaadaardig
vanachter zijn hoofd uit met het fluitende zwaard (klang! - het deurtje
van de boekenkast) en terwijl hij het scherp van het lemmet naar de vloer
joeg, sloeg hij de staaf in twee stukken.
‘Bravo…’ zei de scriptiecommissie, en keerde voorzichtig
naar haar plaatsen terug.
‘Bis bis!’ voegden de toeschouwers, die in de deuropeningen
gesprongen waren, er aan toe.
‘Nu nemen we een zwaard met een gewoon lemmet’, zei Tarasjoek.
‘Bedankt’, wierp de voorzitter van de commissie tegen, de
legendarische decaan Mavrodin, ‘het is genoeg. Bent u het met me
eens, collegae? Het is moeilijk niet toe te geven dat de diepgeachte kandidaat
een uiterst, euh, overtuigende vorm van verdediging van zijn wetenschappelijke
visies heeft uitgebeeld… ja. Het onderzoeksobject is voorhanden.’
Beraadslagend over het cijfer sidderden de faculteitsdames en poederden
zich, gloeiend van de schrik. Mavrodin zei bits met de grofheid van een
soldaat, dat voor hen – de duikers – het genieten van het
strijdgeluk onmogelijk is, het geluid van de slagen jaagt hen angst aan!
En om zijn kennis en liefde voor de wetenschap werd de student alles vergeven!
Tarasjoek werd toegelaten tot de aspirantuur.
7. De professor
Op z’n dertigste werd hij doctor, op z’n tweeëndertigste
professor.
En toen hij professor werd, trouwde hij volgens de oude academische traditie
met een eerstejaarsstudente. Hij verhuisde uit zijn aspirantenflat naar
het academisch coöperatief en begon een gezinsleven.
Na de wittebroodsweken leek het leven minder mooi te worden. Zijn schoonmoeder
beviel Tarasjoek het meest in het gezinsleven. Zijn schoonmoeder kon heerlijke
paddestoelensoep koken en kousen stoppen. En ze was een dankbaar toehoorder.
Wat zijn vrouw betreft: haar lieftalligheid werd gewoon en haar domheid
openbaarde zich steeds sterker. Ze begreep niets van wapens. Daarbij zag
Tarasjoek haar maar weinig. Hij deelde zijn tijd in tussen de bibliotheek
en de wapendepots. Hij schreef een monografie over de techniek van Italiaans
schermen in de zestiende eeuw. Tarasjoek was van plan de hele wereld te
tonen dat de Italianen als eerste hun toevlucht namen tot lichte en buigbare
lemmeten, berekend op de volledige afwezigheid van een harnas, het prototype
van modern sportief wapengerei, - wat toestond de frequentie van bewegingen
flink te verhogen en de tactiek tot op de centimeter te verfijnen.
Hij liet zijn vrouw zien hoe en in welke richting je moest steken, om
zo de tegenstander uit de slagorde te halen. ’s Nachts schreeuwde
zijn vrouw het uit van de nachtmerries.
Na een jaar snikte zijn vrouw dat ze met hem niet verder kon leven: hij
was de tragedie van haar jonge jaren. Tarasjoek had nooit tijd, hij las
de eerste drukproef van zijn monografie en bereidde de stellingen van
een verslag voor in het Historisch Instituut.
Zijn schoonmoeder was met hem begaan. Ze zei tegen zijn vrouw dat ze een
zeldzaam ezelsveulen was: hij drinkt niet, is goedmoedig, onschadelijk,
een autoritaire rare vogel en een geleerde bovendien. Ze nodigde Tarasjoek
uit om hem te voeden met huiselijke maaltijden. Ze raakten bevriend met
elkaar: zij was eenzaam, breidde urenlang, en knikte met plezier naar
de eindeloze verhalen over degens en arbaletten. Daarbij had ze geen geld,
en hem groeide het geld op z’n rug. Niet bij machte vrede te vinden
met het feit dat heel het professorensalaris opging aan boeken en ijzeren
wapentuig, begon ze kleding voor hem te kopen en geld voor levensmiddelen
opzij te leggen. Op de een of andere manier trok hij langzaa, bij haar
in en liet zijn woning tot ieders tevredenheid aan zijn voormalige vrouw
over. Hij bakende een hoekje voor zichzelf af met boekenkasten, zette
er een bankje en een tafel met schemerlamp neer, en ging daar leven.
‘Warme maaltijden, schoon beddengoed, stilte en geen enkele pretentie
– wat heeft een geleerde nog meer nodig?’ sprak hij, en speelde
in zijn broekzak met het loden projectiel van een Balearenslinger.
8. De roem
Op zijn veertigste was Tarasjoek de grootste specialist ter wereld op
het gebied van de geschiedenis van blanke wapens. Hij correspondeerde
met wapenmusea van alle landen, trad op als expert, consulent, recensent
en dergelijke op alle mogelijke wapenaangelegenheden (Dat werd dat af
en toe prima betaald en alle valutahonoraria werden krachtens de wet door
de staat ontnomen). Verwijzingen naar Tarasjoek werden verplicht in de
studies van geleerde wapenkenners. Zijn autoriteit was onbetwistbaar:
de laatste bewijsgrond in wetenschappelijke discussies werd steeds vaker:
“Tarasjoek heeft het gezegd!” Zijn postbus werd volgestopt
met uitnodigingen voor internationale symposia – van Stockholm tot
Sydney.
Ze lieten hem echter niet over de grens gaan: hij was immers geen partijlid,
gescheiden, begaf zich op militair en door zijn zonderlinge karakter kon
hij zich van alles laten ontvallen: derhalve onbetwist niet voor uitreizen
geschikt.
Op een donkere avond staken verveelde straatschenders hem een mes toe:
Tarasjoek keek in een flits naar het mes en liet ze er een uur lang geen
woord tussen steken terwijl hij hun een lezing over messen gaf. De verbouwereerde
straatschenders brachten de ouwe rot naar zijn portaal, waar ze als aandenken
– als liefhebbers van blanke wapens – een overgebleven exemplaar
van een Spaanse sabel kregen.
Hun tegenpool, dat wil zeggen de politie, kwam ook af op zijn onmetelijke
eruditie:
‘Anatolij Karpovitsj, hoe zou dat gedaan zijn?’ in de gepantserde
deur van een kluis zat een precies vierkant zwart gaatje.
‘Fantastisch werk!’ riep Tarasjoek uit, en bewonderde de verbrijzelde
kluis. ‘Dat kan louter een strijdhamer geweest zijn. Wat een prachtig
gat!’ zei hij met voldoening. ‘Langzaam gehard, een lange
punt van vijf duim, een handvat van twee voet. Een fantastisch wapen!
Daarmee werden de beste helmen doorboord, geen enkel harnas hield het.
Zelfs een sekira-sabel kan niet met een strijdhamer vergeleken worden,
hier is de hele kinetische energie van de slag geconcentreerd op één
punt – en het lichaam van de strijdbijl weegt twee Engelse pond:
een pantserdoorborend projectiel! De strijdbijl heeft weliswaar een handvat
dat vier maal zolang is, maar het is eenvoudiger te pareren, een stok
steken voor het lemmet, want in een meute kun je toch je kont niet keren…’
‘Bedankt’, onderbraken ze zijn enthousiaste woordenstroom,
‘en kunt u dat niet preciseren – welke, hoe?’
‘Waardoor… Laat eens kijken… en de binnenkant? Oho!
Gezien het profiel is het uit het begin van de vijftiende eeuw. Het einde
van een tijdperk van zware gepantserde ruiterij. Duitse boeren uit de
tijden van de protestantse oorlogen hielden er erg van. Ze hebben daar
immers in honderd jaar van oorlogen driekwart van Duitsland uitgeroeid,
alsof het niets is! De Regenburgse strijdbijlen waren bijzonder goed,
daar alleen beschikten ze over het echte geheim van metaalverharding.
Ja, precies: het Russische snijmes is wat korter… en de Spanjaarden
hadden geen achting voor dat wapen, ze vonden het onridderlijk, te laag…
en het zou het Franse werk niet kunnen verslaan, waarschijnlijk niet…
Bij hen was het metaal zwakker, ze konden het niet vervaardigen, de hele
Franse adel droeg importwapens uit Spanje, Italië, Duitsland…
Ook gedeeltelijk uit Engeland…’
‘Goed, goed! En zegt u eens: moet je met monsterlijke kracht zo’n
slag toedienen? Het moet een zeer sterk iemand geweest zijn, nietwaar?’
‘Onzin. Een olifant heeft kracht nodig. Wapens vereisen alleen vaardigheid.
Heeft u tijd? En heeft u ook een auto? Dan zult u het zelf zien.’
Hij bracht een strijdbijl uit de voorraadkamers mee en voorproevend, met
dichtgeknepen oog, ging hij met een diamanten vijl over de punt van het
wapen. Hij nam een houding aan:
‘De slag komt van onderen – de hiel! Op de hiel moet de hele
lichaamsmassa aangedraaid worden. Het draaien van de knieën…
het draaien van de heupen… de torso! Schouders… de elleboog…
de hand, de hánd! Een uitademing – eh-eh-eh: whoe-aa!!!’
De broodmagere Tarasjoek begon te trillen – de strijdbijl flitste
in een boog en werd tot aan de handgreep in de stalen deur gestoken.
‘Dat is alles! Schiet maar eens met uw Makarov’ je komt er
niet doorheen.
Als er een historische film met gevechten opgenomen werd, dan kon je niet
buiten Tarasjoek. Hij nam langzaam het bestuur in van de opnamestudio,
hij propte de filmgroep vol met verhandelingen, lapte het plan van de
regisseur aan z’n laars, tekende persoonlijk uit waar iedereen moest
staan en waarheen men zich moest bewegen en uiteindelijk greep hij een
degen en joeg een ongelukkige acteur de stuipen op het lijf.
‘Kom op! Draaien die motor!’ krees Tarasjoek vol geestdrift.
‘Lafaard! Sufferd! Je houdt je vast aan een degen, en niet aan de
tiet van een oud wijf! Kwint! terts! parade!!!’ en hij deed een
uitval, waarbij hij die arme donder van een acteur bijna dwars doorstak.
De acteurs haatten hem, maar de resterende Lenfilm verafgoodde hem.
‘U bent te laat geboren, professor.’ De regisseur en zijn
assistenten namen met moeite het wapentuig van de bekoorde consulent af.
‘Dat zou ik niet willen zeggen’, zei hij beledigd. ‘Juist
die komediant van u zou bij mij de negenentwintigste worden.’
En hij ging naar zijn schoonmoeder om paddestoelensoep te eten en te vertellen
over de voordelen van een grote degen ten opzichte van een rapier.
9. De filmheld
Hij werd een legende, en men besloot een film over hem te maken. Een
groep filmdocumentalisten was uit Rome aangekomen, opdat de kijkers alles
van de grootste geleerde wapenmeester aller tijden en plaatsen te weten
zouden komen. Zij legden professor Tarasjoek vast terwijl hij college
gaf aan zijn studenten; professor Tarasjoek terwijl hij een ontdekking
deed in de depots van een museum; professor Tarasjoek terwijl hij in gepeins
was met de golven van de Neva op de achtergrond. Thuis wilde professor
Tarasjoek echter alleen zijn.
Professor Tarasjoek zei dat thuis filmen niet hoefde. Maar Italianen zijn
gewoonlijk temperamentvol en vasthoudend, en als ze haast hebben, dan
zijn het gewoon maffiosi. Ze begonnen stennis te zaaien, en met hun armen
te zwaaien en brachten hem naar huis.
Professor Tarasjoek steunde. Hij leefde met zijn oude schoonmoeder in
één kamer, en dat in een communale woning. Toen ze die woning
hadden gezien, waren de Italiaanse filmgenieën niet zozeer geschokt
als wel verbaasd. Ze probeerden te weten te komen waar de professor zijn
studeerkamer had, ze spraken nog niet eens over een eetkamer, maar waar
is de slaapkamer?
Ze kregen wodka naar binnen geklokt, er werd paddestoelensoep voor hen
opgewarmd, en de schoonmoeder – gespannen door het bezoek van de
buitenlanders – legde uit dat de professor een rare uil was (ik
heb een kleine zwakte: ik ben bang voor grote ruimtes – belasterde
Tarasjoek schuchter zijn rotsvast gezonde psyche): hij kon een losstaand
huis kopen, maar hij wilde voor geen goud uit deze kamer verhuizen –
hij was gewend aan het uitzicht, hij kon hier goed werken.
‘Onze kijkers zullen dat niet begrijpen’, besloten de Italianen
bedachtzaam. ‘De propaganda van de bourgeoisie suggereert dat sovjetmensen
bedelaars zijn, terwijl wij een gelukkige geleerde moeten laten zien in
de bloei van de sovjetwetenschap.’ Het waren progressieve Italianen.
Het waren echte filmmakers, en voor de film kreeg professor Tarasjoek
een ruime woning met meerdere kamers. Tarasjoek aan de schrijftafel –
dat was de studeerkamer, aan de eettafel – dat was de eetkamer,
met een achtergrond van boeken – dat was de bibliotheek, bij de
muur met wapentuig – dat was het huiselijk museum, en Tarasjoek
zittend in een fauteuil, in het gewaad van zijn schoonmoeder en met een
glas in zijn hand, dichtbij de uitklapbank, - dat was de slaapkamer. In
de gang met halters beeldde Tarasjoek een sporthal uit. De buren werden
de keuken uitgejaagd, schoonmoeder deed een uitgaansjurk aan en pakte
een soeplepel: dat was de oude moeder van de zorgzame zoon Tarasjoek.
Italië is een katholiek land, daar staan ze afkeurend tegenover scheidingen,
dat zal de kijker niet leuk vinden; daarentegen staat men gunstig tegenover
moeders, dat kan de kijker wel waarderen.
Tenslotte filmden ze professor Tarasjoek met zijn partizanenmedaille en
zeiden ze in koor dat ze nog nooit zo’n held onder geleerden gezien
hadden. Hij is saboteur, maar, zo lijkt het, heeft nog nooit iemand gedood,
alhoewel hij al meerderjarig was – en de arme wees Tarasjoek was
tien jaar oud: Mamma mia! Porca madonna! Om gek van te worden! Achtentwintig
fascisten! Had hij ze in één keer gedood, of in enkele keren?
Dat waren toch niet diezelfde achtentwintig strijders in de divisie van
generaal-majoor Panfilow? Ze hadden gelezen over die onsterfelijke heldendaad!
Waarom is Tarasjoek geen held van de Sovjetunie?
‘Ik was nog minderjarig’, zei Tarasjoek verontschuldigend.
‘En uw helden-pioniers?’ vroegen de ontwikkelde Italianen.
‘Alleen postuum’, zei Tarasjoek. ‘Ze hebben het mij
voorgesteld, maar ik heb het geweigerd.’
10. De ridder in een deerniswekkende positie
Ze begonnen te praten over zijn laatste boek, betreffende de rituelen
en tradities van riddertoernooien. Dat boek moest de algehele wetenschap
over het ridderschap ondersteboven halen. Tarasjoek leed niet aan geringe
bescheidenheid van ideeën.
Hij sleepte de danig beschonken Italiaantjes naar de Hermitage, naar de
rijkste voorraadkamers vol ridderwapens. Hij koos een effectieve wapenuitrusting
uit in zijn maat, op zijn aanwijzingen hezen de Italianen hem in een harnas,
sloten de gespjes, trokken de riempjes aan en maakten wonderbaarlijke
foto’s: een ridder vertelt over duels, nadat hij het vizier naar
boven had geklapt en hij met zijn arm in een metalen mouw op een enorm
zwaard steunde.
Ze zopen zich behoorlijk klem, en Tarasjoek verveelde hen zonder onderbrekingen
met een verkorte cursus wapengeschiedenis, terwijl zij op tijd wilden
komen voor een receptie op het Italiaanse consulaat. Maar hij wilde niet
uit zijn wapenuitrusting komen – hij had het er heel erg fijn in.
Kortom, zij gingen er vandoor en hij bleef alleen achter. Leugenpraat
dat je in een toernooiuitrusting niet kunt lopen – de gewrichten
zijn heel soepel, en het weegt slechts een kilootje of dertig-vijfendertig:
het staal is niet dik, maar wel van een uitzonderlijke duurzaamheid. Bij
de infanterist van vandaag is een volle uitrusting op mars zwaarder.
Hier vond de onvergetelijke ontmoeting plaats, waarmee ons verhaal begon.
De verdere gebeurtenissen ontvouwden zich op een deerniswekkende wijze.
Om half twaalf beginnen de nachtwakers in de Hermitage hun ronde te doen.
De nachtelijke bewaking bestaat uit waakhonden. Getrainde herdershonden
controleren de lege ruimtes. Een herdershond verdiende voor zes dagen
in de week van half twaalf tot zes uur ’s ochtends zestig roebel
per maand. De eigenaar van de drie honden leefde van hun salaris.
De honden waren op de een of andere manier niet gewaarschuwd voor de gebeurtenissen
met het servies. Met geblaf en gejank, glibberend door de bochten, vlogen
ze het depot in.
De jongelui uit het Smolnyj kregen na enige tijd hun spraakvermogen terug
en begonnen om redding te schreeuwen. De conservatrice werd het te veel
en ze viel uiteindelijk in katzwijm.
De gepantserde ridder Tarasjoek stootte een strijdkreet uit en zwaaide
met het zwaard. Maar het zit zo dat een ridder te paard op alle plekken
afdoende bedekt is, behalve het achterwerk. Met zijn achterste zit hij
namelijk op een speciaal, iets verheven strijdzadel. Een Duitse herder
van de twintigste eeuw is in een worsteling echter onvergelijkbaar flexibeler
dan een Duitse ridder van de vijftiende eeuw. En Tarasjoek werd ogenblikkelijk
in zijn onbeschermde achterste gebeten.
Brullend van de pijn ging hij snel op de grond zitten, liet het zware
zwaard kletteren, en met zijn knuisten in de stalen schubben probeerde
hij zittend de vervloekte schepsels een hengst te geven.
En in zo’n houding troffen de bewakers en de politieagenten hem
aan. De verontruste politieagenten klikten met de hanen van hun pistolen,
de bewaking nam de honden aan de lijn en toen begonnen de jongelui uit
het Smolnyj uit alle macht te brullen van verontwaardiging: de medewerkers
van het regionaal comité met een zwaard bang maken! De afgezanten
van de partij met honden opjagen! Jullie komen nog eens in ’t gevang,
klootzakken, Romanov zal jullie eens een poepie laten ruiken!
En heus: gepantserde ridders alleen organiseren nog geen antisovjetopstanden.
…Tarasjoek werd ogenblikkelijk en met gerinkel overal weggeschopt.
Boven het bezwete hoofd, waarvan ze de helm met verrotte vederbos afdeden,
begon de stralenkrans van een martelaar-dissident te schijnen: met het
zwaard in zijn handen bewaakte hij het bezit van de wetenschap en het
volk tegen het autoritaire gedrag van het Smolnyj!
De legende verkreeg zijn voltooiing en verbreidde zich over straat.
11. Ontmoeting buiten de lijn
Hij werd nergens voor werk aangenomen: in geen enkel instituut, zelfs
niet als bibliothecaris in de buurtbibliotheek, en zelfs niet als leraar
geschiedenis in een achtjarige school. Zijn schoonmoeder huilde en gaf
hem paddestoelensoep te eten, en een stuk van haar pensioen bleef steken
in Tarasjoeks keel.
Na twee maanden werd hij vrachtwagenchauffeur bij een groenteopslag, en
hield daarbij zijn geleerde onderscheidingen en verdiensten geheim. Hij
sleepte kisten aardappelen en dronk met de andere kerels port.
Zijn doctoraalstudenten en aspiranten werden verdeeld over andere begeleiders;
men was zelfs bang hem te bellen: het was 1975 en de loyale burgers vreesden
een woord te veel te zeggen…
Tarasjoek werd kwaad. Vanaf het prille begin van zijn partizaanse jeugd
was hij een uitzonderlijk sovjetmens, en iedereen en alles om hem heen
vond dat goed – wat overigens vanzelfsprekend is bij een succesvolle
carrière in een geliefd vakgebied. Maar rechtstreekse omgang met
het proletariaat heeft een heilzame invloed op de hersenen van een intellectueel.
Gedurende het seizoen kwam zijn wereldbeschouwing tot wasdom, zoals een
suikerbiet rijp wordt voor het zelfstookapparaat: nog een beetje en klaar
is het product dat vonken en tranen uit de ogen stoot. En het belangrijkste
is: zonder wapens was hij geen mens.
Hij begon kranten te lezen en naar vijandige stemmen te luisteren. En
brieven naar redacties en instanties te schrijven over waarheid en rechtvaardigheid.
De brieven onderscheidden zich door hun wetenschappelijke stijl en de
partizaanse gelukswensen. In zijn eigen brievenbus kwamen geen brieven
en uitnodigingen vanuit het buitenland meer. Op een zeker moment arriveert
op een kletsvergadering van wapenkenners een Duitser uit Frankfurt, een
collega-professor, die zijn befaamde correspondentievriend professor Tarasjoek
wilde zien: wat er met hem is, waar hij is, waarom hij geen antwoord geeft
op zijn brieven? Iedereen mompelt en wendt de ogen af.
De doortastende Duitser verkrijgt van de Leningradse informatiedienst
het adres en telefoonnummer, belt Tarasjoek op en gaat bij hem op bezoek.
Herr Tarasjoek, zegt hij, hoe jammer dat u er niet bij was. Maar Herr
Tarasjoeks handen zitten vol eeltplekken en schrammen en er komen verkoolde
resten uit zijn mond. Terwijl hij wanhopig de sovjetmacht uitfoetert,
stelt hij gastvrij voor: of hij niet een glaasje wodka wilde drinken met
paddestoelensoep erbij, een verrukkelijke combinatie, kan ik aanbevelen!
Ze eten en Tarasjoek merkt op dat de Duitser een pink aan zijn linkerhand
mist. Hij brengt het gesprek tactloos naar de oorlog. De Duitser is nogal
oud, heeft een bril op, en net als velen van zijn generatie lijdt hij
aan een schuldcomplex tegenover Rusland vanwege die oorlog. Hij krimpt
ineen en stelt een toast voor op de vrede tussen de twee volken: hij houdt
van Rusland, alhoewel hij hier bijna gedood is.
Kortom, het is helder: dat blijkt diezelfde Duitser te zijn! Niet helemáál
doodgeschoten dus.
Nu krijgt Tarasjoek een schuldcomplex, dat getransformeerd wordt in een
liefdescomplex. Hij rent in het nachtelijk uur naar een taxistandplaats
voor een tweede fles, en de hele nacht gaat hij te biecht bij de kotsende
Duitser. ’s Ochtends nemen ze een glaasje tegen de kater, ze zingen
Wit-Russische en Rijnlander volksliedjes, en de Duitser haalt hem over
naar Duitsland te verhuizen: hij geeft hem alle garanties voor werk!
Tarasjoek kenschetst de politieke situatie: in het Smolnyj laat Romanov
Tarasjoek rotten op een groenteopslag.
De Duitser spreekt bemoedigend: hij zal naar de Duitse consul gaan, die
zal zich persoonlijk wenden tot kameraad Romanov, en door de vriendschappelijke
verhoudingen tussen de twee regeringen zullen ze Tarasjoek onmiddellijk
naar Duitsland laten gaan. Is hypertrofie van het gezonde verstand soms
een professionele Duitse ziekte?
‘1945 vergeten?’ vraagt Tarasjoek. ‘Als ik me opnieuw
omhoogwerk, dan zullen ze me gewoon in het gevang zetten.’
‘Mein Gott! Waarvoor kunnen ze u in het gevang zetten?’
‘Mijn God! Voor alles. Voor het soldaat maken van sterke drank,
bewaring van blanke wapens, omgang met buitenlanders...’
En evengoed was de Duitser beledigd dat Tarasjoek hem niet naar het hotel
begeleidde, en ook niet naar het vliegveld. Waaruit geconcludeerd kan
worden dat het verstand van Tarasjoek als sjouwer nogal verscherpt was,
in tegenstelling tot dat van de Duitser, die nog nooit als sjouwer had
gewerkt.
Na een maand belde een Duitse promovendus, die in Leningrad was aangekomen
met een reisgezelschap, aan de deur van Tarasjoek. Aangezien hij de post
niet vertrouwde, was hij persoonlijk een brief komen brengen uit Jeruzalem
van Tarasjoeks eigen broer, die hem tijdens de bezetting was kwijtgeraakt,
met een oproep voor een doorlopend domicilie in het historische vaderland
Israël. De Duitser bleek een voorkomend en vasthoudend persoon te
zijn. In Frankfurt zit een grote Joodse gemeenschap, en hij had besloten
deze voor de edelmoedige zaak aan te wenden, zonder in details te treden.
12. De jood
Het is verbazingwekkend hoeveel gevarieerde verschijningen van het Leningradse
leven zich kruisten met de joodse kwestie. Het is heus de steen des aanstoots.
Waarheen je ook spuugt – het heeft altijd iets te maken met joden.
Rusland zou daar met een verstandige benadering waarschijnlijk een enorm
voordeel uit kunnen slepen. Maar de traditie van de handel in grondstoffen
kreeg de overhand – een jood werd gewoonweg geruild voor drie zakken
Canadese tarwe: zo zat het met de wisselkoers tussen het emigratiequotum
en de import van levensmiddelen. Zoals altijd verdiende de kapitalistische
wereld een fortuin door ongelijke transacties met het socialistisch vaderland,
moge het niet als zodanig herinnerd worden!
De oproep ging vergezeld van een mondelinge instructie. Tarasjoek dacht
even na, pakte een fles, kwam binnenwaaien bij zijn vrind en collega,
de historicus en scandinavist Aron Jakovlevitsj Goerevitsj, en vroeg tussen
het tweede en vierde glaasje hoe hij overigens jood kon worden. Goerevitsj
was heel erg verbaasd. Hij wist absoluut alles over de vikingen, maar
over joden wist hij alleen dat je er beter geen kon zijn. Hij raadde Tarasjoek
aan naar een synagoge te gaan, als er tenminste eentje open is, voegde
hij er weifelend aan toe.
Tarasjoek schaamde zich er een beetje voor om naar een synagoge te gaan,
het is toch een pijnlijk onfatsoenlijk woord, en dus ging hij een kopje
koffie drinken in café Saigon. In Saigon zag hij ogenblikkelijk
een jood met opmerkelijk karakteristiek uiterlijk – rossig haar,
een haakneus en een Odessaanse intonatie. Dat was Natan Fjodorovski, een
van de vele stamgasten van het vermaarde café, ooit een armoedig
verzamelaar van schilderijen van armoedige Leningradse kunstenaars, en
thans een bekende en rijke Berlijnse galeriehouder.
Tarasjoek verhuisde naar het tafeltje van Fjodorovski en vroeg stotterend
en rood aangelopen hem te helpen. De rossige Fjodorovski waardeerde de
fijngevoeligheid van de vrager en gaf hem prompt twintig kopeke.
Tarasjoek verslikte zich in zijn koffie, legde naast diens munt zelf een
munt van twee grivna neer en flapte er zonder een blad voor de mond te
nemen uit of hij, een hem onbekende – maar om Gods wil wil ik u
niet beledigen – karakteristieke jood, wist hoe je jood kon worden.
Het gezelschap van Fjodorovski verkondigde dat die persoon ingeschonken
diende te worden, en verdeelde uit eigen zak een fles port over de glazen.
De gevleide en goedmoedige Fjodorovski verschafte Tarasjoek volledige
informatie. Tarasjoek kon zich, behalve de besnijdenis, overal in vinden,
maar de liberale Fjodorovski stelde hem gerust dat die niet verplicht
was.
In overeenstemming met deze informatie verkoos Tarasjoek een verkorte
plechtigheid. Hij verkocht een deel van zijn collectie (dat kon niet in
één keer gedaan worden) en ging naar Riga. In Riga regelde
een bekende van Fjodorovski, verbonden aan de joodse gemeenschap, krachtens
het afgesproken tarief van vijfduizend roebel, een getuigschrift van de
geboorte van zijn moeder, die geboren was uit het huwelijk van haar joodse
ouders, waarover overeenkomstige aantekeningen waren gemaakt.
Met dat getuigschrift ging hij in Leningrad naar het regionale paspoortenbureau
en stelde de verklaring op dat hij zijn nationaliteit van Witrus naar
jood wilde veranderen. Daar waren ze niet erg verbaasd – hij was
niet de eerste. Ze begonnen echter de boel op te houden, en stelden het
van week tot week uit.
Tarasjoek ging een bakje koffie drinken in Saigon en kwam daar de rossige
Fjodorovski weer tegen. Die bromde dat het flauwekul was, er moest gewoon
tweehonderd roebel worden toegestoken, en over een week zouden ze hem
dan een nieuw paspoort geven. Tarasjoek zei dat hij nog niet zijn hele
collectie verkocht had, er is nog genoeg om de hoofden van alle paspoortenbureaus
in de week te zetten; schilderijen zijn er helaas niet, maar als Fjodorovski
wapens wilde verzamelen… hij kon geen smeergeld meer geven!
De onbaatzuchtige Fjodorovski, door en door in het Petersburgse leven
ondergedompeld, stopte geld toe waar nodig en Tarasjoek werd jood.
Nou, nog een jaartje hielden ze de boel voor hem op. Ze joegen naar bewijzen
en probeerden te achterhalen waarom hij zijn hele leven in enquêtes
had geprobeerd de nationaliteit van zijn moeder, en de aanwezigheid van
een broer in het buitenland te verbergen. Hij antwoordde weldoordacht
dat het zijn carrière kon hinderen en over zijn broer – hier
is de brief – wist hij zelf niets af. Na een jaar is hij voorspoedig
weggevlogen, op een donderdag per vliegtuig naar Wenen, zoals afgesproken.
Van alle geleerde collega’s en geliefde leerlingen werd hij alleen
begeleid door zijn verdrietige schoonmoeder en de verheugde Fjodorovski
– hij had iedereen begeleid en had nu overal maling aan.
Hij vloog weg met datzelfde oude sportkoffertje waarin zaten: een schoon
hemd, een onvoltooid manuscript, een fles cognac, een boek van V.Beider
“Middeleeuwse blanke wapens” en een minuscule vernikkelde
damesbrowning No. 8 met parelmoeren wangetjes.
De Duitser kwam hem toevallig tegen op het vliegveld van Wenen, waar Tarasjoek
prompt een cognacje met hem dronk en hem als aandenken een pistooltje
schonk – een precieze kopie van dat van toen... Hoe hij hem langs
de douane sleepte – dat is alleen God bekend.
Vertaald door: Carel Schouten
|