Michail Weller, "Wapenmeester Tarasjoek" home



1. De hoeder van het hiernamaals

De biologische selectie van leden van het Politbureau gaat gehuld in een groter geheim dan de schepping van de steen der wijzen, hoewel het daarmee onvergelijkbaar is wat staatsbelang en wat onkosten betreft. Toen kameraad Romanov – de baas over Leningrad en secretaris van het regionaal comité – zijn dochter ten huwelijk gaf, moest Lodewijk XV paars van jaloezie worden. Er werd een feestmaal gegeven in het Tavritsjeski Paleis, temidden van de gobelins en de marmeren Russische tsaren, en door de bescherming van geheim agenten zou er geen vlieg naar binnen kunnen springen. Men behoorde ananassen en hazelhoenders te eten van het goud en porselein van het tsaristische servies. Daartoe werd het bevel gegeven het paradeservies voor honderdvierenveertig personen uit de depots van de Hermitage te halen, dat door de tsarina Catherina de Grote was nagelaten aan de volksschatkamer.
Er volgde een telefoontje vanuit het Smolnyj: het servies verpakken en aanleveren. De bewaarster van de afdeling tsaristisch serviesgoed, een armoedige blozende kunsthistorica met een salaris van honderdveertig roebel, antwoordde met trillende stem dat zij de toestemming moest hebben van de directeur van de Hermitage, professor Piotrovski. Daarna begon ze te snikken en beduimelde ze een Sjipka-sigaretje: een pracht en praal uit de stad Sèvres, achttiende eeuw…! Ze zullen het servies kort en klein slaan! De vandalen! En de rest zal worden verpatst…
De professor verkondigde, verstijfd van dapperheid: “slechts over mijn lijk”. Hem werd uitgelegd dat die hindernis niet al te groot was.
Piotrovski belde persoonlijk Romanov op “voor een kwestie van staatsbelang”. Hij vroeg om een schriftelijke verordening bij de minister van Cultuur van de USSR. Kameraad Romanov had echter niet voor niets een lange weg als leidinggevende achter zich, van spermatozoïde tot lid van het Politbureau, en daarnaast kon hij met zijn volk communiceren. “Dus jij verlangt van mij dat ik toestemming vraag aan Petka Demitsjev?” – zei hij vrolijk verbaasd. – “Wil je dat de nieuwe directeur van de Hermitage je over vijf minuten uit de studeerkamer de straat op schopt?”
Piotrovski was goudeerlijk en bovendien een groot geleerde, maar ook een sovjetmens. En daarom belde hij zonder de hoorn ook maar neer te leggen de ambulance en ging naar het ziekenhuis om opgenomen te worden.
Na die organisatorische beslommeringen ging het einde van de dag over in het begin van de nacht, toen de auto uit het Smolnyj uiteindelijk aankwam bij de Hermitage. Een paar stevige jongens in grijze kostuums, begeleid door de vice-directeur en de huilerige conservatrice, gingen over de dreunende lege enfilades om de borden voor de eettafel van de nomenclatuur te halen.
Ze stappen voort, in de zwakke nachtelijke verlichting, door monumentale labyrinten, en plotseling, tijdens het lopen, horen ze: toe-doek, toe-doek… zware ijzeren stappen over de stenen tegels.
Een ritmisch, uit het hiernamaals afkomstig geluid.
Ze komen juist langs een opslagplaats van Middeleeuws wapentuig. Strijdbijlen en speren zetten hun stekels op vanaf de muren, en twee rijen ridders in harnas bewaken de doorgang.
Toe-doek, toe-doek!
In de deuropening treedt over de gang zo’n ridder naar voren.
In een zwart Neurenbergs pantser. Het vizier van de helm is neergelaten. In een strijdhandschoen wordt een blauwachtig spiegelend zwaard uit Toledo ten hemel geheven. En het schild met wapen erop weerspiegelt in het zilveren graveerwerk.
Met de onzekere tred van een dode beweegt hij zich erin, kletterend met zijn stalen schoenen en klingelend met stervormige sporen. In de stilte van middernacht horen ze in de verte een verschrikkelijk hondengejank.
De processie deinst verstijfd en met knikkende knieën terug.
De gealarmeerde ridder brult als een bezetene vanonder zijn vizier en rochelt met laryngaal Germaans gefoeter. Hij beschrijft met een fluitend zwaard een flitsende boog – toe-doek! Toe-doek! – het komt steeds dichterbij…
Door de achteruitgang vluchten de schenders weg, en iemand heeft het al in z’n broek gedaan.

2. De partizaan

In 1942 was Tolik Tarasjoek tien jaar. Zijn vader was aan het front verdwenen en moeder was als gijzelaar omgekomen. Het jongetje liep met het partizanenregiment mee. In de Wit-Russische bossen waren er veel van dat soort regimenten: één derde krijgers, en de rest gezinnen uit afgebrande dorpen.
Jongens houden van vechten, en de soldaten die van hen houden prijzen hun onverschrokken stoutmoedigheid. Die ene, die kleine en stille, was gewoon een geboren strijder: zijn arm was steviger dan een pijler, en zijn oog was zeer scherp. En een volledige afwezigheid van zenuwen. Met een geweer kon hij op honderd meter afstand spijkers inslaan.
Soms gebruikten zij de jongetjes voor communicatie en verkenning. Maar het talent van Tarasjoek werd hoger aangeslagen. Ze vonden voor hem een bijzondere plaats in de strijdformatie.
Nu heerst er een slecht beeld van de wreedheden in die oorlog. Terwijl de Duitsers mensen neerschoten, ophingen en verbrandden in hun huizen, begoten de partizanen de gegrepen krijgsgevangenen bijvoorbeeld in de vorst met water en zetten vervolgens de ijzige figuren met uitgestrekte arm neer om te dienen als wegwijzer. In de mond werden afgesneden genitaliën gestopt, en het bordje op de borst verduidelijkte dan: “Fritz houdt van ballen”.
De belangrijkste partizanenbezigheid was het beroven van opslagplaatsen: levensmiddelen, munitie, wapens – een combinatie van zelfbevoorrading en het toebrengen van schade aan de vijand. Er was ook nog sprake van het opblazen van spoorwegen en bruggen. Dat alles werd bewaakt. En men kon alleen aan de slag zonder geluid te maken. Daarom werd de bekwaamheid wachters neer te halen bijzonder gewaardeerd.
Geconfisceerde stroken rondom Duitse objecten waren helemaal van bebossing gezuiverd en ongemerkt naderbij sluipen was feitelijk uitgesloten. De wachters lieten onder geen enkel voorwendsel iemand naderbij komen.
Er kwam ergens vandaan een huilend jongetje aangestrompeld in een te grote gewatteerde jas gestoken, tegen de kou. Toen hij de wachter zag, vroeg hij klagelijk: “Brot, Kamerad, Brot!” en hij toonde een gouden zakhorloge. Hij wilde het geven, voor een stuk brood dus. De wachter kreeg medelijden met het verkilde hongerige kind… en het horloge zag er duur uit. Hij keek om zich heen om te zien of de superieur niet in de buurt was, hij liet het jongetje dichterbij komen, en bekeek het horloge nader. Het jongetje leunde wankel van zwakte een ogenblik tegen hem aan en door de zak van zijn gewatteerde jas schoot hij van vlakbij met een kleine damesbrowning.
De door de kleding gedempte knal was bijna onhoorbaar. Het pistooltje was een zwak speeltje. Het piepkleine nikkelen kogeltje moest precies door het centrum van de zonnevlecht gejaagd worden, anders kon de Duitser zijn hand naar het hart opheffen en nog reageren.
De wachter zakte in elkaar en was klaarblijkelijk op slag dood. Het jongetje moest de helm tegenhouden en de mitrailleur, zodat er tijdens de val geen metaal rammelde.
En dat tienjarige (in het oorlogsjaar al elfjarige) jongetje legde op die manier achtentwintig wachters neer. Niet iedere gedecoreerde sluipschutter aan de frontlijn had een dergelijke score.
Slechts één keer beefde zijn hand. De Duitser was vrij oud, had een bril op en kwam uit de achterhoede van de bewakingseenheden. Zonder zijn rechterarm achter de karabijnriem weg te halen, pakte hij met zijn linkerarm het horloge af en haalde uit de zak van zijn mantel een stukje chocolade in waspapier. Aan de linkerhand miste hij een pink. Het jongetje hield onwillekeurig zijn blik gericht op die pinkloze hand met chocolade, en het schot was, zo leek het, niet helemaal precies raak. De ogen van de Duitser sloten zich in plaats van levenloos te worden, hij zakte in en viel. Maar hij lag bewegingsloos, en de partizanen kwamen al uit hun verschansing aangerend, geluidloos. Om toe te geven aan zijn twijfel en nog eens voor de zekerheid te schieten, daar schaamde het jongetje zich voor, het stond de trots van een strijder en professioneel in de weg: onzuiver werk.
In 1944 komen de Tien Stalinistische Slagen! – Het Sovjetleger had Wit-Rusland bevrijd. Bij de loskoppeling van zijn regiment werd hij door de commandant voorgedragen voor de Orde van de Rode Vlag. Maar dat vonden ze toch wel wat te veel van het goede voor dat jochie, en ze beperkten zich tot een medaille “Voor Oorlogsverdiensten”.
Met die medaille kwam hij in een weeshuis, om na een driejarige onderbreking naar school terug te keren, naar de derde klas.

3. De cursist

Hij was gewend zich geheel onbevangen te voelen bij elk willekeurig publiek – hij behoorde tot de besten, een partizaan, en geen rat uit de achterhoede. Zijn trots stond het niet toe slechter dan wie dan ook te leren, zijn kinderhersenen maakten de omissies goed: in zeven jaar voltooide hij tien klassen.
Een leraar in de militaire beginselen was helemaal dol op hem en voorspelde dat hij tot de uitblinkers van de militaire school zou gaan behoren: in een rechte lijn!
Hij stapte over op een gerichte opleiding – verbleef een week in de militaire school, snoof de geur van de kazernes op, rende met laarzen aan naar de gymnastiekoefeningen, pakte zijn koffertje en deelde de leiding mee dat dat getreuzel niet iets voor hem is. Vechten – dat wel, met veel vreugde, een beetje schieten – altijd alstublieft. Laat echter anderen maar op de statuten zwoegen en in slagorde naar de plee marcheren, zij die nog geen kruit geroken hebben. Hij vindt dat niet leuk.
‘En wat vind je dan wel leuk?’ vroeg de ferme kolonel, met medeleven zijn dossier doorbladerend.
‘Schieten’, zei Tarasjoek openlijk.
‘Op wie wil je nu, in vredestijd, gaan schieten?’
‘Nou… er kon nog wel iets of iemand gevonden worden. Ik hou in het algemeen van wapens.’
‘Misschien moest je dan maar leren voor ingenieur en in een wapenfabriek gaan werken? Zo iets?’
‘Ik hou niet van wapens vanuit het gezichtspunt van een wapensmid… dat zou er nog bij moeten komen! Ik ben strijder geweest, geen reparateur. Ik vind het gewoon leuk… er mee te maken te hebben.’
‘En hoe wil je er mee te maken hebben?’
‘Kunt u schieten?’
De gekrenkte kolonel, voormalig frontsoldaat, begeleidde de te veel van hem vergende snotneus naar de schietbaan, tevreden met deze mogelijkheid. En daar schoot hij met zijn Walter in gechromeerde generaalsuitvoering (trofeegeweren waren nog niet van de officiers afgenomen) ijverig 29.
‘De Duitsers hebben goed spul, - merkte de op te leiden cursist op. – Maar voor het echte werk prefereer ik een Tsjechische Škoda – die is comfortabeler in de hand, en de snelheid ervan is hoger: hij ging dwars door de gesp van de riem heen! De kogel gaat dwars door glas – er komen zelfs geen barstjes in, een heel mooi rond gaatje.’ Hij pakte volgens de regels met de handgreep naar voren de Walter vast, en zette de achtergebleven vijf kogels één voor één in de patroonhouder.
‘Godsamme, jij bent me er eentje’, zei de kolonel.
‘De Amerikaanse Colt-32 heeft de hoogste snelheid’, ging Tarasjoek verder. Het gat van de inslag is even groot als dat aan de achterkant. Je schiet door papier – het vel verroert zich niet en er wordt een klein rondje uitgesneden. Hoewel de koning van precisie in de strijd natuurlijk de Mauser is, maar die heeft een enorme loop en het magazijn is gigantisch groot.
‘Een goed voorbereide cursist’, bekende de kolonel. ‘Is dat alles, of heb je er nog iets aan toe te voegen?’
De aangemoedigde Tarasjoek knoopte vrijelijk de kraag van zijn blouse los.
‘Kijk, dit is bijvoorbeeld geen mes’, doceerde hij en hij drukte met zijn vinger op de bajonet die aan de riem van de dienstdoende sergeant hing.
‘Staat u mij toe mij tot u te richten, kameraad kolonel?’ zei de sergeant. ‘Geef me die jonge knaap voor het schoonmaken van deze ruimte – bij de reveille geef ik hem geheel gehoorzaam terug! De slimmerik…’
‘Het staal van de bajonet zit los op het geweer en is zacht - opdat hij in het lichaam niet kapotgaat; daarom heeft het lemmet geen weerhaak, ermee snijden is onmogelijk’, versnelde Tarasjoek. – De handgreep is niet comfortabel en glijdt weg uit de hand, en tijdens het gebruik komt er bloed op – alsof hij helemaal is ingezeept. En hij is allerminst in evenwicht te brengen, ermee gooien heeft absoluut geen zin.
‘Ik ben niet geautoriseerd om jou bij de raadgevers van de generale staf aan te bevelen, zei de kolonel. Jij zou hun natuurlijk uitleggen hoe het mes moet zijn.’
‘Wat valt er uit te leggen – zo een als de Finnen hebben. Het lemmet met een driehoekig profiel, gehard… Je buigt het en het gaat niet kapot: alleen aan de buitenkant is er hardheid, maar van binnen is het zacht. Het handvat is van hout, met een inkerving – licht, en in de vlucht werkt het als een stabilisator. Het lemmet is zes vingers breed, meer heeft namelijk niemand nodig.’
‘En de bajonet?’ zei de sergeant meesmuilend, terwijl hij zich voor de vraag boog.
‘De oude bajonet was met vier vlakken goed: hij gaat er goed in, buigt niet in het lichaam, een wond ervan sluit niet, en tijdens het schermen tref je makkelijker met een langere.’
‘Jij moet regelrecht naar de universiteit’, merkte de sergeant vinnig op.
‘O ja, is er dan een universiteit waar ze lesgeven in wapens?’ vroeg Tarasjoek onnozel.
De gedachte aan de mogelijke afwezigheid van zo’n universiteit verontwaardigde de kolonel.
‘Wat is het belangrijkste in de regering – wat? vroeg hij vermanend: - het leger! Wat is de hoofdzaak voor een militair – wat? – wapens! Hoe zou het kunnen dat er in ons land niet zo’n universiteit was?!’

4. De aankomende student

Op één september 1952 arriveerde Tarasjoek op de historische faculteit van de Universiteit van Leningrad.
In zijn hand had hij datzelfde “sportkoffertje”. In het koffertje zaten: een schoon overhemd, een fles cognac, de medaille “Voor Oorlogsverdiensten”, een lugerpistool en een boek van V. Beider, getiteld Middeleeuwse blanke wapens. De complete verzameling van een gentleman.
Hij schreed voort naar het decanaat, waar hij een sacramentele vraag stelde:
‘Is het waar dat bij jullie in wapens onderwezen wordt?’
‘Op de universiteit wordt veel onderwezen’, antwoordden ze hem met een vage waardigheid. ‘Maar de toelatingsexamens zijn allang afgelopen.’
‘Misschien moet ik mij nog niet tot u wenden’, stelde de bezoeker gerust. ‘Wordt het onderwezen? Of niet?’
‘En wat interesseert u eigenlijk?’
‘Mij interesseren eigenlijk wapens’, antwoordde hij haastig.
‘En welke wapens precies?’ vroeg de vervanger van de studentendecaan beleefd geïnteresseerd.
‘Precies alle… Vuurwapens, blanke wapens… lichte, zware, belegeringswapens, moderne, Middeleeuwse, antieke ook, allemaal eigenlijk.’
‘Huhuh. Dus moderne of antieke? Er is, weet u, een verschil… en in het bijzonder wat de toepassing betreft. Heeft u, als u mij toestaat zo nieuwsgierig te zijn, een puur wetenschappelijke interesse in wapens, of is er nog iets anders?’ preciseerde de vervanger van de decaan met de voorkomendheid van een Petersburgse intellectueel.
‘Wetenschappelijk én praktisch’, zei Tarasjoek. ‘En soms is er helemaal geen verschil. Een Frankisch zwaard uit het begin van ons tijdperk wijkt, laten we zeggen, in niets af van een artilleriesabel uit de achttiende eeuw. En een Middeleeuws ridderlijk artilleriesabel voor gepantserde duels wijkt in niets af van de moderne Spaanse stiletto.’
‘Huhuh’, zei de vervanger van de decaan onverstoorbaar. ‘Wij hebben bij de vakgroep mediëvistiek inderdaad een werkgroep over de geschiedenis van blanke wapens. Komt u volgend jaar, één augustus, en doet u dan examen.’
‘Waarom uitstellen?’ wierp de bezoeker tegen. Hij opende zijn koffertje en legde een diploma van een tienjarige middelbare school neer, een rapport met cijfers van toelatingsexamens voor de hogeschool en een bewijs van deelname aan de partizanenbeweging. Bovenop legde hij de medaille en ernaast zette hij een fles cognac.
‘Huhuh’, zei de vervanger van de decaan vrolijk. ‘Hoe zing je dat? – “De partizanen gaan nu op pad”… Heeft u geen automaat bij u?’
‘Alleen een parabellum’, zei Tarasjoek.
Met die documenten werd hij geruisloos opgenomen in het eerste leerjaar, ondergebracht in de Zesde studentenflat aan de Mytninskaja kade en voorzien van een studiefinanciering.

5. De student

De werkcolleges beginnen in het derde leerjaar. De eerstejaarsstudent Tarasjoek kwam op de eerste les als toehoorder van de hogeschool. Op de tweede les deed hij een wetenschappelijke ontdekking. Een akinak – een zwaard van de oude Scythen – was niet alleen een steekwapen, zoals tot dusver verondersteld werd in de historische wetenschap, maar een steek- én hakwapen.
Het vroegere uitgangspunt baseerde zich op een vaas met een fresco, waar een Scyth van plan is een ander met een akinak te steken. Hieruit blijkt dat de historische wetenschap ook met betrekking tot de oudheid niet altijd moeite doet steekhoudende argumenten te zoeken.
‘Wat voor idioot heeft gezegd dat het alleen een steekwapen is?’ vroeg Tarasjoek met de minachting van een doorgewinterde partizaan.
De leidster van de werkgroep, een steile professor, was geschokt.
‘Uh-uh…’ zei ze met een hortende tenorstem. ‘Als we kijken naar de afbeelding, dan is volstrekt duidelijk te zien…’
‘Wat is te zien? Steken kun je ook met een damschijf! Kijk eens, zo kunt u een lepel, waarmee men u op het voorhoofd tikt, een bot blank wapen noemen’, onderbrak de oneerbiedige toehoorder.
‘In archeologische vondsten zijn geen sporen van snijranden of wat dan ook gevonden, - verdedigde de dame zich.’
‘Tweeduizend jaar in de aarde? Roest, roest heeft de snijranden opgegeten!! Wat moest dat wel niet voor kwaliteit staal zijn, dat het in tweeduizend jaar in de aarde niet geheel tot poeder verworden zou zijn! De roest heeft ook het scherp opgegeten…’
‘Er zijn studies van specialisten…’
‘Hebben die specialisten van u ooit zelf wel eens een ram geslacht?’
‘En u, als u mij niet kwalijk neemt?’
‘Ik heb van alles geslacht. Zegt u eens: welke dwaas gaat een lemmet van een halve meter lang in zijn hand meeslepen, en de snede niet scherpen om te hakken en te snijden? Lui, of het verstand verloren? Dat is dus geen strijder! Een akinak is niet korter dan een Romeins zwaard. En om alleen te steken hadden ze al een smalle lichte degen bedacht.’
Hieruit volgt dat Tarasjoek met alle gloed van de jeugd en de superioriteit van een veteraan zich in de leerboeken heeft gegraven. En de resultaten maakten dan ook indruk op de omringenden.
‘Als u onze werkgroep wilt bezoeken…’
‘Ja, daar heb ik de hogeschool voor laten vallen!’
‘Misschien ook wel voor niets. Kijk eens: wanneer u zelf professor wordt…’
‘En hoeveel jaar is daarvoor nodig?’ onderbrak Tarasjoek.
‘Drie jaar aspirantuur – als u de universiteit beëindigt, waarvan ik niet overtuigd ben, en als u met de aspirantuur begint, waarvan ik nog minder overtuigd ben…’
‘Twijfelt u niet, - verzekerde hij. – En verder?’
‘En verder – een proefschrift vergt soms tien jaar, en soms nog langer. En dat moet ook nog eens verdedigd worden!’
‘Tegen wie?’
‘Tegen de opponenten.’
‘Da’s niet verschrikkelijker dan Duitsers. En wie zijn dat?’

… De akinak werd zijn eerste werk in de Wetenschappelijke Studentengemeenschap. Hij was geen intellectueel, en dat is hij nooit geworden; echt niet, en hij probeerde zich niet voor als zodanig uit te geven. Het niveau van zijn esthetische aanmatigingen was ongeveer zo: wanneer in een gezelschap, laten we zeggen, een nieuwe film besproken werd, bracht Tarasjoek de waardering van een specialist naar voren:
‘Je reinste leuterpraat. Een tiental schietijzers knalt in zijn richting, hij zwemt het riviertje over – ah! oh! gered! – ha! ik knal hem op vierhonderd meter neer met mijn geweer - net zo makkelijk!’
Zijn liefde voor wapens nam geen genoegen met theorie – hij schoot ook zelf. Hij schoot op de universitaire schietbaan met een geweer van een klein kaliber, een pistool van een klein kaliber en een sportrevolver – meer was er helaas niet. En wanneer hij in plaats van tien slechts negen treffers had, raakte hij ontstemd.
Maar aanbiedingen om aan wedstrijden deel te nemen verwierp hij: een geleerde verlaagt zich niet tot het spelen met hersenloze sporters, van hem konden ze de pot op.

6. De kandidaat

Het thema van zijn scriptie was het zwaard met twee handgrepen en een “vlammend” lemmet.
Bij een dergelijk zwaard is bijna heel het lemmet – behalve de laatste anderhalve voet – zigzagvormig. Geleerden hadden het voor de hand liggende begrepen: een slag wordt alleen toegebracht met het einde, waar het normale scherp is. Het één meter lange, op een sinuslijn lijkende stuk is echter ontstaan door nabootsing van schilderijen die aartsengelen met vurige zwaarden uitbeelden: een golvende vuurtong. En in dissertaties werd geschreven: “De invloed van de christelijke religieuze schilderkunst op de bewapening van ridders en kruisvaarders”.
De oneerbiedige Tarasjoek liet geen steen overeind van de geleerde heren. Wapens zijn altijd uiterst functioneel! – bracht hij woedend uit. Ze worden versierd – ja, maar verandering van vorm ten bate van de ideologie – dat is belachelijk! (dat was 1957, het jaar van vrijdenkerij.) Paradewapens, ceremoniële wapens; ja, dergelijke snuisterijen komen voor. Maar het strijdzwaard – daarvan moet je niet te veel verlangen, blijf er in ieder geval mee in leven, je moet het er heelhuids vanaf brengen en overwinnen, donder toch op met dat schildergedoe.
De uitvinder van dat zwaard was een genie; Tarasjoek was in vervoering geraakt. Na de Eerste Kruistocht bedacht hij om de kracht van een groot zwaard te verenigen met het snijdeffect van een gekromde Arabische sabel: hakken met een zogenaamd “potjag” gaat beter dan met een gekromd lemmet, je trekt hem naar je toe – en de buiging snijdt zelf, het principe van een zaag. Maar de sabel doorklieft geen stalen kledij, terwijl een gekromd zwaard met twee handgrepen een lichaamslengte van drie meter vereist, waarover zelfs de beste ridders niet beschikten: daarom zijn er enkele krommingen - het is de combinatie van een zwaard, sabel en zaag! Het gepareerde lemmet van de vijand blijft makkelijker in het diepe deel van de kromming en glijdt niet tot het begin van de handgreep - de beschermingskwaliteiten worden verbeterd, het is eenvoudiger over te gaan naar een voor jezelf verbazingwekkende uitval. De zigzagvormigheid geeft het zwaard een vering in de lengteas – waardoor bij het pareren de klap op de handen verzacht wordt en de verdediging bij het schermen wordt vereenvoudigd. Uiteindelijk verleent diezelfde vering de klap met het einde van het lemmet een toegevoegde kracht: dus is de klap van een “goedendag”, gemaakt van een loden bol op een buigzaam handvat van baleinen, krachtiger dan de klap van een hamer met hetzelfde gewicht en een stevige houten steel van dezelfde lengte.
De vakgroep en de opponenten, glimlachend om het temperament, haalden hun schouders op. Maar ze hadden ongelijk in de onderschatting van de kandidaat. Toen hij klaar was met het theoretische deel van de verdediging, ging de bezwete Tarasjoek over naar het demonstratieve deel: hij knikte naar een eerstejaarsstudent die in de zaal bij de deuren zat:
‘Kostja – kom!’
Kostja verdween en keerde na een minuut terug met een andere eerstejaarsstudent. Triomfantelijk droegen zij, als koninklijke herauten de hofschat, een anderhalve meter lang zwaard met twee handgrepen en een vlammend lemmet.
Het geglimlach van de commissie werd onzeker. Tarasjoeks ogen begonnen te fonkelen. Hij pakte het zwaard en deed een uitval. De scriptiecommissie werd uit haar stoelen gevaagd. Het publiek begon te schreeuwen van opwinding.
De helpende eerstejaarsstudenten haalden uit hun tas een ijzeren staaf en legden die met de uiteindes tussen twee stoelen. Tarasjoek haalde kwaadaardig vanachter zijn hoofd uit met het fluitende zwaard (klang! - het deurtje van de boekenkast) en terwijl hij het scherp van het lemmet naar de vloer joeg, sloeg hij de staaf in twee stukken.
‘Bravo…’ zei de scriptiecommissie, en keerde voorzichtig naar haar plaatsen terug.
‘Bis bis!’ voegden de toeschouwers, die in de deuropeningen gesprongen waren, er aan toe.
‘Nu nemen we een zwaard met een gewoon lemmet’, zei Tarasjoek.
‘Bedankt’, wierp de voorzitter van de commissie tegen, de legendarische decaan Mavrodin, ‘het is genoeg. Bent u het met me eens, collegae? Het is moeilijk niet toe te geven dat de diepgeachte kandidaat een uiterst, euh, overtuigende vorm van verdediging van zijn wetenschappelijke visies heeft uitgebeeld… ja. Het onderzoeksobject is voorhanden.’
Beraadslagend over het cijfer sidderden de faculteitsdames en poederden zich, gloeiend van de schrik. Mavrodin zei bits met de grofheid van een soldaat, dat voor hen – de duikers – het genieten van het strijdgeluk onmogelijk is, het geluid van de slagen jaagt hen angst aan! En om zijn kennis en liefde voor de wetenschap werd de student alles vergeven!
Tarasjoek werd toegelaten tot de aspirantuur.

7. De professor

Op z’n dertigste werd hij doctor, op z’n tweeëndertigste professor.
En toen hij professor werd, trouwde hij volgens de oude academische traditie met een eerstejaarsstudente. Hij verhuisde uit zijn aspirantenflat naar het academisch coöperatief en begon een gezinsleven.
Na de wittebroodsweken leek het leven minder mooi te worden. Zijn schoonmoeder beviel Tarasjoek het meest in het gezinsleven. Zijn schoonmoeder kon heerlijke paddestoelensoep koken en kousen stoppen. En ze was een dankbaar toehoorder.
Wat zijn vrouw betreft: haar lieftalligheid werd gewoon en haar domheid openbaarde zich steeds sterker. Ze begreep niets van wapens. Daarbij zag Tarasjoek haar maar weinig. Hij deelde zijn tijd in tussen de bibliotheek en de wapendepots. Hij schreef een monografie over de techniek van Italiaans schermen in de zestiende eeuw. Tarasjoek was van plan de hele wereld te tonen dat de Italianen als eerste hun toevlucht namen tot lichte en buigbare lemmeten, berekend op de volledige afwezigheid van een harnas, het prototype van modern sportief wapengerei, - wat toestond de frequentie van bewegingen flink te verhogen en de tactiek tot op de centimeter te verfijnen.
Hij liet zijn vrouw zien hoe en in welke richting je moest steken, om zo de tegenstander uit de slagorde te halen. ’s Nachts schreeuwde zijn vrouw het uit van de nachtmerries.
Na een jaar snikte zijn vrouw dat ze met hem niet verder kon leven: hij was de tragedie van haar jonge jaren. Tarasjoek had nooit tijd, hij las de eerste drukproef van zijn monografie en bereidde de stellingen van een verslag voor in het Historisch Instituut.
Zijn schoonmoeder was met hem begaan. Ze zei tegen zijn vrouw dat ze een zeldzaam ezelsveulen was: hij drinkt niet, is goedmoedig, onschadelijk, een autoritaire rare vogel en een geleerde bovendien. Ze nodigde Tarasjoek uit om hem te voeden met huiselijke maaltijden. Ze raakten bevriend met elkaar: zij was eenzaam, breidde urenlang, en knikte met plezier naar de eindeloze verhalen over degens en arbaletten. Daarbij had ze geen geld, en hem groeide het geld op z’n rug. Niet bij machte vrede te vinden met het feit dat heel het professorensalaris opging aan boeken en ijzeren wapentuig, begon ze kleding voor hem te kopen en geld voor levensmiddelen opzij te leggen. Op de een of andere manier trok hij langzaa, bij haar in en liet zijn woning tot ieders tevredenheid aan zijn voormalige vrouw over. Hij bakende een hoekje voor zichzelf af met boekenkasten, zette er een bankje en een tafel met schemerlamp neer, en ging daar leven.
‘Warme maaltijden, schoon beddengoed, stilte en geen enkele pretentie – wat heeft een geleerde nog meer nodig?’ sprak hij, en speelde in zijn broekzak met het loden projectiel van een Balearenslinger.

8. De roem

Op zijn veertigste was Tarasjoek de grootste specialist ter wereld op het gebied van de geschiedenis van blanke wapens. Hij correspondeerde met wapenmusea van alle landen, trad op als expert, consulent, recensent en dergelijke op alle mogelijke wapenaangelegenheden (Dat werd dat af en toe prima betaald en alle valutahonoraria werden krachtens de wet door de staat ontnomen). Verwijzingen naar Tarasjoek werden verplicht in de studies van geleerde wapenkenners. Zijn autoriteit was onbetwistbaar: de laatste bewijsgrond in wetenschappelijke discussies werd steeds vaker: “Tarasjoek heeft het gezegd!” Zijn postbus werd volgestopt met uitnodigingen voor internationale symposia – van Stockholm tot Sydney.
Ze lieten hem echter niet over de grens gaan: hij was immers geen partijlid, gescheiden, begaf zich op militair en door zijn zonderlinge karakter kon hij zich van alles laten ontvallen: derhalve onbetwist niet voor uitreizen geschikt.
Op een donkere avond staken verveelde straatschenders hem een mes toe: Tarasjoek keek in een flits naar het mes en liet ze er een uur lang geen woord tussen steken terwijl hij hun een lezing over messen gaf. De verbouwereerde straatschenders brachten de ouwe rot naar zijn portaal, waar ze als aandenken – als liefhebbers van blanke wapens – een overgebleven exemplaar van een Spaanse sabel kregen.
Hun tegenpool, dat wil zeggen de politie, kwam ook af op zijn onmetelijke eruditie:
‘Anatolij Karpovitsj, hoe zou dat gedaan zijn?’ in de gepantserde deur van een kluis zat een precies vierkant zwart gaatje.
‘Fantastisch werk!’ riep Tarasjoek uit, en bewonderde de verbrijzelde kluis. ‘Dat kan louter een strijdhamer geweest zijn. Wat een prachtig gat!’ zei hij met voldoening. ‘Langzaam gehard, een lange punt van vijf duim, een handvat van twee voet. Een fantastisch wapen! Daarmee werden de beste helmen doorboord, geen enkel harnas hield het. Zelfs een sekira-sabel kan niet met een strijdhamer vergeleken worden, hier is de hele kinetische energie van de slag geconcentreerd op één punt – en het lichaam van de strijdbijl weegt twee Engelse pond: een pantserdoorborend projectiel! De strijdbijl heeft weliswaar een handvat dat vier maal zolang is, maar het is eenvoudiger te pareren, een stok steken voor het lemmet, want in een meute kun je toch je kont niet keren…’
‘Bedankt’, onderbraken ze zijn enthousiaste woordenstroom, ‘en kunt u dat niet preciseren – welke, hoe?’
‘Waardoor… Laat eens kijken… en de binnenkant? Oho! Gezien het profiel is het uit het begin van de vijftiende eeuw. Het einde van een tijdperk van zware gepantserde ruiterij. Duitse boeren uit de tijden van de protestantse oorlogen hielden er erg van. Ze hebben daar immers in honderd jaar van oorlogen driekwart van Duitsland uitgeroeid, alsof het niets is! De Regenburgse strijdbijlen waren bijzonder goed, daar alleen beschikten ze over het echte geheim van metaalverharding. Ja, precies: het Russische snijmes is wat korter… en de Spanjaarden hadden geen achting voor dat wapen, ze vonden het onridderlijk, te laag… en het zou het Franse werk niet kunnen verslaan, waarschijnlijk niet… Bij hen was het metaal zwakker, ze konden het niet vervaardigen, de hele Franse adel droeg importwapens uit Spanje, Italië, Duitsland… Ook gedeeltelijk uit Engeland…’
‘Goed, goed! En zegt u eens: moet je met monsterlijke kracht zo’n slag toedienen? Het moet een zeer sterk iemand geweest zijn, nietwaar?’
‘Onzin. Een olifant heeft kracht nodig. Wapens vereisen alleen vaardigheid. Heeft u tijd? En heeft u ook een auto? Dan zult u het zelf zien.’
Hij bracht een strijdbijl uit de voorraadkamers mee en voorproevend, met dichtgeknepen oog, ging hij met een diamanten vijl over de punt van het wapen. Hij nam een houding aan:
‘De slag komt van onderen – de hiel! Op de hiel moet de hele lichaamsmassa aangedraaid worden. Het draaien van de knieën… het draaien van de heupen… de torso! Schouders… de elleboog… de hand, de hánd! Een uitademing – eh-eh-eh: whoe-aa!!!’
De broodmagere Tarasjoek begon te trillen – de strijdbijl flitste in een boog en werd tot aan de handgreep in de stalen deur gestoken.
‘Dat is alles! Schiet maar eens met uw Makarov’ je komt er niet doorheen.
Als er een historische film met gevechten opgenomen werd, dan kon je niet buiten Tarasjoek. Hij nam langzaam het bestuur in van de opnamestudio, hij propte de filmgroep vol met verhandelingen, lapte het plan van de regisseur aan z’n laars, tekende persoonlijk uit waar iedereen moest staan en waarheen men zich moest bewegen en uiteindelijk greep hij een degen en joeg een ongelukkige acteur de stuipen op het lijf.
‘Kom op! Draaien die motor!’ krees Tarasjoek vol geestdrift. ‘Lafaard! Sufferd! Je houdt je vast aan een degen, en niet aan de tiet van een oud wijf! Kwint! terts! parade!!!’ en hij deed een uitval, waarbij hij die arme donder van een acteur bijna dwars doorstak.
De acteurs haatten hem, maar de resterende Lenfilm verafgoodde hem.
‘U bent te laat geboren, professor.’ De regisseur en zijn assistenten namen met moeite het wapentuig van de bekoorde consulent af.
‘Dat zou ik niet willen zeggen’, zei hij beledigd. ‘Juist die komediant van u zou bij mij de negenentwintigste worden.’
En hij ging naar zijn schoonmoeder om paddestoelensoep te eten en te vertellen over de voordelen van een grote degen ten opzichte van een rapier.

9. De filmheld

Hij werd een legende, en men besloot een film over hem te maken. Een groep filmdocumentalisten was uit Rome aangekomen, opdat de kijkers alles van de grootste geleerde wapenmeester aller tijden en plaatsen te weten zouden komen. Zij legden professor Tarasjoek vast terwijl hij college gaf aan zijn studenten; professor Tarasjoek terwijl hij een ontdekking deed in de depots van een museum; professor Tarasjoek terwijl hij in gepeins was met de golven van de Neva op de achtergrond. Thuis wilde professor Tarasjoek echter alleen zijn.
Professor Tarasjoek zei dat thuis filmen niet hoefde. Maar Italianen zijn gewoonlijk temperamentvol en vasthoudend, en als ze haast hebben, dan zijn het gewoon maffiosi. Ze begonnen stennis te zaaien, en met hun armen te zwaaien en brachten hem naar huis.
Professor Tarasjoek steunde. Hij leefde met zijn oude schoonmoeder in één kamer, en dat in een communale woning. Toen ze die woning hadden gezien, waren de Italiaanse filmgenieën niet zozeer geschokt als wel verbaasd. Ze probeerden te weten te komen waar de professor zijn studeerkamer had, ze spraken nog niet eens over een eetkamer, maar waar is de slaapkamer?
Ze kregen wodka naar binnen geklokt, er werd paddestoelensoep voor hen opgewarmd, en de schoonmoeder – gespannen door het bezoek van de buitenlanders – legde uit dat de professor een rare uil was (ik heb een kleine zwakte: ik ben bang voor grote ruimtes – belasterde Tarasjoek schuchter zijn rotsvast gezonde psyche): hij kon een losstaand huis kopen, maar hij wilde voor geen goud uit deze kamer verhuizen – hij was gewend aan het uitzicht, hij kon hier goed werken.
‘Onze kijkers zullen dat niet begrijpen’, besloten de Italianen bedachtzaam. ‘De propaganda van de bourgeoisie suggereert dat sovjetmensen bedelaars zijn, terwijl wij een gelukkige geleerde moeten laten zien in de bloei van de sovjetwetenschap.’ Het waren progressieve Italianen.
Het waren echte filmmakers, en voor de film kreeg professor Tarasjoek een ruime woning met meerdere kamers. Tarasjoek aan de schrijftafel – dat was de studeerkamer, aan de eettafel – dat was de eetkamer, met een achtergrond van boeken – dat was de bibliotheek, bij de muur met wapentuig – dat was het huiselijk museum, en Tarasjoek zittend in een fauteuil, in het gewaad van zijn schoonmoeder en met een glas in zijn hand, dichtbij de uitklapbank, - dat was de slaapkamer. In de gang met halters beeldde Tarasjoek een sporthal uit. De buren werden de keuken uitgejaagd, schoonmoeder deed een uitgaansjurk aan en pakte een soeplepel: dat was de oude moeder van de zorgzame zoon Tarasjoek. Italië is een katholiek land, daar staan ze afkeurend tegenover scheidingen, dat zal de kijker niet leuk vinden; daarentegen staat men gunstig tegenover moeders, dat kan de kijker wel waarderen.
Tenslotte filmden ze professor Tarasjoek met zijn partizanenmedaille en zeiden ze in koor dat ze nog nooit zo’n held onder geleerden gezien hadden. Hij is saboteur, maar, zo lijkt het, heeft nog nooit iemand gedood, alhoewel hij al meerderjarig was – en de arme wees Tarasjoek was tien jaar oud: Mamma mia! Porca madonna! Om gek van te worden! Achtentwintig fascisten! Had hij ze in één keer gedood, of in enkele keren? Dat waren toch niet diezelfde achtentwintig strijders in de divisie van generaal-majoor Panfilow? Ze hadden gelezen over die onsterfelijke heldendaad! Waarom is Tarasjoek geen held van de Sovjetunie?
‘Ik was nog minderjarig’, zei Tarasjoek verontschuldigend.
‘En uw helden-pioniers?’ vroegen de ontwikkelde Italianen.
‘Alleen postuum’, zei Tarasjoek. ‘Ze hebben het mij voorgesteld, maar ik heb het geweigerd.’

10. De ridder in een deerniswekkende positie

Ze begonnen te praten over zijn laatste boek, betreffende de rituelen en tradities van riddertoernooien. Dat boek moest de algehele wetenschap over het ridderschap ondersteboven halen. Tarasjoek leed niet aan geringe bescheidenheid van ideeën.
Hij sleepte de danig beschonken Italiaantjes naar de Hermitage, naar de rijkste voorraadkamers vol ridderwapens. Hij koos een effectieve wapenuitrusting uit in zijn maat, op zijn aanwijzingen hezen de Italianen hem in een harnas, sloten de gespjes, trokken de riempjes aan en maakten wonderbaarlijke foto’s: een ridder vertelt over duels, nadat hij het vizier naar boven had geklapt en hij met zijn arm in een metalen mouw op een enorm zwaard steunde.
Ze zopen zich behoorlijk klem, en Tarasjoek verveelde hen zonder onderbrekingen met een verkorte cursus wapengeschiedenis, terwijl zij op tijd wilden komen voor een receptie op het Italiaanse consulaat. Maar hij wilde niet uit zijn wapenuitrusting komen – hij had het er heel erg fijn in. Kortom, zij gingen er vandoor en hij bleef alleen achter. Leugenpraat dat je in een toernooiuitrusting niet kunt lopen – de gewrichten zijn heel soepel, en het weegt slechts een kilootje of dertig-vijfendertig: het staal is niet dik, maar wel van een uitzonderlijke duurzaamheid. Bij de infanterist van vandaag is een volle uitrusting op mars zwaarder.
Hier vond de onvergetelijke ontmoeting plaats, waarmee ons verhaal begon.

De verdere gebeurtenissen ontvouwden zich op een deerniswekkende wijze. Om half twaalf beginnen de nachtwakers in de Hermitage hun ronde te doen. De nachtelijke bewaking bestaat uit waakhonden. Getrainde herdershonden controleren de lege ruimtes. Een herdershond verdiende voor zes dagen in de week van half twaalf tot zes uur ’s ochtends zestig roebel per maand. De eigenaar van de drie honden leefde van hun salaris.
De honden waren op de een of andere manier niet gewaarschuwd voor de gebeurtenissen met het servies. Met geblaf en gejank, glibberend door de bochten, vlogen ze het depot in.
De jongelui uit het Smolnyj kregen na enige tijd hun spraakvermogen terug en begonnen om redding te schreeuwen. De conservatrice werd het te veel en ze viel uiteindelijk in katzwijm.
De gepantserde ridder Tarasjoek stootte een strijdkreet uit en zwaaide met het zwaard. Maar het zit zo dat een ridder te paard op alle plekken afdoende bedekt is, behalve het achterwerk. Met zijn achterste zit hij namelijk op een speciaal, iets verheven strijdzadel. Een Duitse herder van de twintigste eeuw is in een worsteling echter onvergelijkbaar flexibeler dan een Duitse ridder van de vijftiende eeuw. En Tarasjoek werd ogenblikkelijk in zijn onbeschermde achterste gebeten.
Brullend van de pijn ging hij snel op de grond zitten, liet het zware zwaard kletteren, en met zijn knuisten in de stalen schubben probeerde hij zittend de vervloekte schepsels een hengst te geven.
En in zo’n houding troffen de bewakers en de politieagenten hem aan. De verontruste politieagenten klikten met de hanen van hun pistolen, de bewaking nam de honden aan de lijn en toen begonnen de jongelui uit het Smolnyj uit alle macht te brullen van verontwaardiging: de medewerkers van het regionaal comité met een zwaard bang maken! De afgezanten van de partij met honden opjagen! Jullie komen nog eens in ’t gevang, klootzakken, Romanov zal jullie eens een poepie laten ruiken!
En heus: gepantserde ridders alleen organiseren nog geen antisovjetopstanden.
…Tarasjoek werd ogenblikkelijk en met gerinkel overal weggeschopt.
Boven het bezwete hoofd, waarvan ze de helm met verrotte vederbos afdeden, begon de stralenkrans van een martelaar-dissident te schijnen: met het zwaard in zijn handen bewaakte hij het bezit van de wetenschap en het volk tegen het autoritaire gedrag van het Smolnyj!
De legende verkreeg zijn voltooiing en verbreidde zich over straat.

11. Ontmoeting buiten de lijn

Hij werd nergens voor werk aangenomen: in geen enkel instituut, zelfs niet als bibliothecaris in de buurtbibliotheek, en zelfs niet als leraar geschiedenis in een achtjarige school. Zijn schoonmoeder huilde en gaf hem paddestoelensoep te eten, en een stuk van haar pensioen bleef steken in Tarasjoeks keel.
Na twee maanden werd hij vrachtwagenchauffeur bij een groenteopslag, en hield daarbij zijn geleerde onderscheidingen en verdiensten geheim. Hij sleepte kisten aardappelen en dronk met de andere kerels port.
Zijn doctoraalstudenten en aspiranten werden verdeeld over andere begeleiders; men was zelfs bang hem te bellen: het was 1975 en de loyale burgers vreesden een woord te veel te zeggen…
Tarasjoek werd kwaad. Vanaf het prille begin van zijn partizaanse jeugd was hij een uitzonderlijk sovjetmens, en iedereen en alles om hem heen vond dat goed – wat overigens vanzelfsprekend is bij een succesvolle carrière in een geliefd vakgebied. Maar rechtstreekse omgang met het proletariaat heeft een heilzame invloed op de hersenen van een intellectueel. Gedurende het seizoen kwam zijn wereldbeschouwing tot wasdom, zoals een suikerbiet rijp wordt voor het zelfstookapparaat: nog een beetje en klaar is het product dat vonken en tranen uit de ogen stoot. En het belangrijkste is: zonder wapens was hij geen mens.
Hij begon kranten te lezen en naar vijandige stemmen te luisteren. En brieven naar redacties en instanties te schrijven over waarheid en rechtvaardigheid. De brieven onderscheidden zich door hun wetenschappelijke stijl en de partizaanse gelukswensen. In zijn eigen brievenbus kwamen geen brieven en uitnodigingen vanuit het buitenland meer. Op een zeker moment arriveert op een kletsvergadering van wapenkenners een Duitser uit Frankfurt, een collega-professor, die zijn befaamde correspondentievriend professor Tarasjoek wilde zien: wat er met hem is, waar hij is, waarom hij geen antwoord geeft op zijn brieven? Iedereen mompelt en wendt de ogen af.
De doortastende Duitser verkrijgt van de Leningradse informatiedienst het adres en telefoonnummer, belt Tarasjoek op en gaat bij hem op bezoek. Herr Tarasjoek, zegt hij, hoe jammer dat u er niet bij was. Maar Herr Tarasjoeks handen zitten vol eeltplekken en schrammen en er komen verkoolde resten uit zijn mond. Terwijl hij wanhopig de sovjetmacht uitfoetert, stelt hij gastvrij voor: of hij niet een glaasje wodka wilde drinken met paddestoelensoep erbij, een verrukkelijke combinatie, kan ik aanbevelen!
Ze eten en Tarasjoek merkt op dat de Duitser een pink aan zijn linkerhand mist. Hij brengt het gesprek tactloos naar de oorlog. De Duitser is nogal oud, heeft een bril op, en net als velen van zijn generatie lijdt hij aan een schuldcomplex tegenover Rusland vanwege die oorlog. Hij krimpt ineen en stelt een toast voor op de vrede tussen de twee volken: hij houdt van Rusland, alhoewel hij hier bijna gedood is.
Kortom, het is helder: dat blijkt diezelfde Duitser te zijn! Niet helemáál doodgeschoten dus.
Nu krijgt Tarasjoek een schuldcomplex, dat getransformeerd wordt in een liefdescomplex. Hij rent in het nachtelijk uur naar een taxistandplaats voor een tweede fles, en de hele nacht gaat hij te biecht bij de kotsende Duitser. ’s Ochtends nemen ze een glaasje tegen de kater, ze zingen Wit-Russische en Rijnlander volksliedjes, en de Duitser haalt hem over naar Duitsland te verhuizen: hij geeft hem alle garanties voor werk!
Tarasjoek kenschetst de politieke situatie: in het Smolnyj laat Romanov Tarasjoek rotten op een groenteopslag.
De Duitser spreekt bemoedigend: hij zal naar de Duitse consul gaan, die zal zich persoonlijk wenden tot kameraad Romanov, en door de vriendschappelijke verhoudingen tussen de twee regeringen zullen ze Tarasjoek onmiddellijk naar Duitsland laten gaan. Is hypertrofie van het gezonde verstand soms een professionele Duitse ziekte?
‘1945 vergeten?’ vraagt Tarasjoek. ‘Als ik me opnieuw omhoogwerk, dan zullen ze me gewoon in het gevang zetten.’
‘Mein Gott! Waarvoor kunnen ze u in het gevang zetten?’
‘Mijn God! Voor alles. Voor het soldaat maken van sterke drank, bewaring van blanke wapens, omgang met buitenlanders...’
En evengoed was de Duitser beledigd dat Tarasjoek hem niet naar het hotel begeleidde, en ook niet naar het vliegveld. Waaruit geconcludeerd kan worden dat het verstand van Tarasjoek als sjouwer nogal verscherpt was, in tegenstelling tot dat van de Duitser, die nog nooit als sjouwer had gewerkt.

Na een maand belde een Duitse promovendus, die in Leningrad was aangekomen met een reisgezelschap, aan de deur van Tarasjoek. Aangezien hij de post niet vertrouwde, was hij persoonlijk een brief komen brengen uit Jeruzalem van Tarasjoeks eigen broer, die hem tijdens de bezetting was kwijtgeraakt, met een oproep voor een doorlopend domicilie in het historische vaderland Israël. De Duitser bleek een voorkomend en vasthoudend persoon te zijn. In Frankfurt zit een grote Joodse gemeenschap, en hij had besloten deze voor de edelmoedige zaak aan te wenden, zonder in details te treden.

12. De jood

Het is verbazingwekkend hoeveel gevarieerde verschijningen van het Leningradse leven zich kruisten met de joodse kwestie. Het is heus de steen des aanstoots. Waarheen je ook spuugt – het heeft altijd iets te maken met joden. Rusland zou daar met een verstandige benadering waarschijnlijk een enorm voordeel uit kunnen slepen. Maar de traditie van de handel in grondstoffen kreeg de overhand – een jood werd gewoonweg geruild voor drie zakken Canadese tarwe: zo zat het met de wisselkoers tussen het emigratiequotum en de import van levensmiddelen. Zoals altijd verdiende de kapitalistische wereld een fortuin door ongelijke transacties met het socialistisch vaderland, moge het niet als zodanig herinnerd worden!
De oproep ging vergezeld van een mondelinge instructie. Tarasjoek dacht even na, pakte een fles, kwam binnenwaaien bij zijn vrind en collega, de historicus en scandinavist Aron Jakovlevitsj Goerevitsj, en vroeg tussen het tweede en vierde glaasje hoe hij overigens jood kon worden. Goerevitsj was heel erg verbaasd. Hij wist absoluut alles over de vikingen, maar over joden wist hij alleen dat je er beter geen kon zijn. Hij raadde Tarasjoek aan naar een synagoge te gaan, als er tenminste eentje open is, voegde hij er weifelend aan toe.
Tarasjoek schaamde zich er een beetje voor om naar een synagoge te gaan, het is toch een pijnlijk onfatsoenlijk woord, en dus ging hij een kopje koffie drinken in café Saigon. In Saigon zag hij ogenblikkelijk een jood met opmerkelijk karakteristiek uiterlijk – rossig haar, een haakneus en een Odessaanse intonatie. Dat was Natan Fjodorovski, een van de vele stamgasten van het vermaarde café, ooit een armoedig verzamelaar van schilderijen van armoedige Leningradse kunstenaars, en thans een bekende en rijke Berlijnse galeriehouder.
Tarasjoek verhuisde naar het tafeltje van Fjodorovski en vroeg stotterend en rood aangelopen hem te helpen. De rossige Fjodorovski waardeerde de fijngevoeligheid van de vrager en gaf hem prompt twintig kopeke.
Tarasjoek verslikte zich in zijn koffie, legde naast diens munt zelf een munt van twee grivna neer en flapte er zonder een blad voor de mond te nemen uit of hij, een hem onbekende – maar om Gods wil wil ik u niet beledigen – karakteristieke jood, wist hoe je jood kon worden.

Het gezelschap van Fjodorovski verkondigde dat die persoon ingeschonken diende te worden, en verdeelde uit eigen zak een fles port over de glazen.
De gevleide en goedmoedige Fjodorovski verschafte Tarasjoek volledige informatie. Tarasjoek kon zich, behalve de besnijdenis, overal in vinden, maar de liberale Fjodorovski stelde hem gerust dat die niet verplicht was.
In overeenstemming met deze informatie verkoos Tarasjoek een verkorte plechtigheid. Hij verkocht een deel van zijn collectie (dat kon niet in één keer gedaan worden) en ging naar Riga. In Riga regelde een bekende van Fjodorovski, verbonden aan de joodse gemeenschap, krachtens het afgesproken tarief van vijfduizend roebel, een getuigschrift van de geboorte van zijn moeder, die geboren was uit het huwelijk van haar joodse ouders, waarover overeenkomstige aantekeningen waren gemaakt.
Met dat getuigschrift ging hij in Leningrad naar het regionale paspoortenbureau en stelde de verklaring op dat hij zijn nationaliteit van Witrus naar jood wilde veranderen. Daar waren ze niet erg verbaasd – hij was niet de eerste. Ze begonnen echter de boel op te houden, en stelden het van week tot week uit.
Tarasjoek ging een bakje koffie drinken in Saigon en kwam daar de rossige Fjodorovski weer tegen. Die bromde dat het flauwekul was, er moest gewoon tweehonderd roebel worden toegestoken, en over een week zouden ze hem dan een nieuw paspoort geven. Tarasjoek zei dat hij nog niet zijn hele collectie verkocht had, er is nog genoeg om de hoofden van alle paspoortenbureaus in de week te zetten; schilderijen zijn er helaas niet, maar als Fjodorovski wapens wilde verzamelen… hij kon geen smeergeld meer geven!
De onbaatzuchtige Fjodorovski, door en door in het Petersburgse leven ondergedompeld, stopte geld toe waar nodig en Tarasjoek werd jood.
Nou, nog een jaartje hielden ze de boel voor hem op. Ze joegen naar bewijzen en probeerden te achterhalen waarom hij zijn hele leven in enquêtes had geprobeerd de nationaliteit van zijn moeder, en de aanwezigheid van een broer in het buitenland te verbergen. Hij antwoordde weldoordacht dat het zijn carrière kon hinderen en over zijn broer – hier is de brief – wist hij zelf niets af. Na een jaar is hij voorspoedig weggevlogen, op een donderdag per vliegtuig naar Wenen, zoals afgesproken.
Van alle geleerde collega’s en geliefde leerlingen werd hij alleen begeleid door zijn verdrietige schoonmoeder en de verheugde Fjodorovski – hij had iedereen begeleid en had nu overal maling aan.
Hij vloog weg met datzelfde oude sportkoffertje waarin zaten: een schoon hemd, een onvoltooid manuscript, een fles cognac, een boek van V.Beider “Middeleeuwse blanke wapens” en een minuscule vernikkelde damesbrowning No. 8 met parelmoeren wangetjes.
De Duitser kwam hem toevallig tegen op het vliegveld van Wenen, waar Tarasjoek prompt een cognacje met hem dronk en hem als aandenken een pistooltje schonk – een precieze kopie van dat van toen... Hoe hij hem langs de douane sleepte – dat is alleen God bekend.


Vertaald door: Carel Schouten


Laatst gewijzigd: 27.05.04