| Michail Weller, "De sabeldans" | home |

| De geschiedenis van de Sovjetmuziek werd bepaald in
de bar op de vierde verdieping van hotel Europa. Dit was de meest muzikale
bar ter wereld. Het concertgebouw bevindt zich daar precies tegenover, aan
de overkant van de straat, en de muzikanten renden naar die bar vlak voor
de repetitie, na de repetitie en soms in plaats van de repetitie. Voor een
grotere vingervlugheid en levenslust. En eveneens na het concert, vlak voor
het concert, en gewoon zomaar, bij wijze van gewoonte. Hun eigen artiesten,
maar ook degenen die op tournee zijn – het was bijna een ritueel.
Een willekeurige serveerster van ‘Het dak’ wist meer over het
stedelijke muzikantenleven dan de directeur van de Lenfilharmonie en de
secretaris van de Componistenbond samen. Men kende de muzikanten hier, ze
werden respecteerd en hun vele artistieke capriolen vergeven – scheppende
wezens als het zijn… de roem van de stad! Hier vroegen ze niet wat
de bezoekers wensen – ze telden de hoofden en schonken voor ieder
honderd gram cognac in, en voor of na het werk gaven ze ieder wel honderdvijftig
gram. En honderd gram kostte in die tijd een roebel. Leningrad was een meer filharmonisch dan theatraal georiënteerde stad, in tegenstelling tot Moskou – zoals bekend is – en juist in die filharmonie kwamen de society en de beau monde bijeen. Alle daar besproken verhalen werden automatisch het bezit van de Nevski en kwamen in de lijst van aanbevolen gespreksthema’s tussen opgeleide mensen en mensen die wel wat van kunst weten. Aram Chatsjatoerian, held van de Socialistische Arbeid en winnaar van God-weet-wat-voor-prijzen, een persoonlijke vriend van Mravinski, Rozjdestvenski en dergelijke, was daar – op de Brodskistraat bij de hoek van de Nevski – aan de bartafel vanuit de lift naar rechts, een vaste klant en geheel verweven met het muzikale Leningrad. Hij was een aanzienlijk persoon, een gewilde gast, een brede ziel met een Kaukasische joviale gulheid – één van ons – van Moskou en Leningrad tot zijn geboorteland Armenië aan toe, en dan hebben we het nog niet over al die Frankrijken en Spanjes waar hij gewoon niet los van kon komen… Ergens in Spanje op een tournee, dat met enorm succes gepaard ging – de Spanjaarden zijn echt een muzikaal volk en temperamentvolle, vurige muziek kunnen ze in het bijzonder waarderen – vroegen zijn organisatoren dan ook wat hij nog zou willen zien of verkrijgen in Spanje. Ze zouden het als een eer beschouwen om voor zo’n groot en aanzienlijk componist iets leuks te regelen, hem van dienst te zijn, hem rijkelijk te bedelen, iets te organiseren, voor zijn voeten de vloer aanvegen, opdat hij niet met zijn gezicht in het vuil raakte, en meer van dergelijke fleurige Latijnse betuigingen. Chatsjatoerian op zijn beurt, was in het dagelijks leven bescheiden en droeg zijn grootheid en roem waardig. Hij werd met de meeste égards ontvangen, en kon zich van alles en nog wat wensen, zoals vogeltjesmelk. Maar melk dronk hij niet; zijn lievelingsdrank was namelijk Ararat cognac. Daarom maakte hij een hulpeloos gebaar, bedankte de gastheer en gastvrouw, dacht even na, en antwoordde uit beleefdheid voor de complimenten aangaande zijn uniek genie, dat Spanje, waarin hij de eer heeft op te treden, het vaderland is van Salvador Dalí, de grootste kunstenaar van de twintigste eeuw, de leider en roem van de mondiale schilderkunst en bovendien zijn idool. En dat hij verrukt was over de fabelachtige Spaanse gastvrijheid en niet dergelijke wensen had, ze waren er niet en konden er niet zijn; hij zou alleen blij zijn de meester Salvador Dalí zelf te ontmoeten en te leren kennen, hem persoonlijk zijn diepste eer te betuigen en zelfs hem om een handtekening te vragen in een album met reproducties. Bij die verklaring veranderden de organisatoren licht van gelaatskleur; ze gingen van het ene been op het andere staan… omdat Dalí vermaard was om zijn onvoorspelbare excentriciteit, en omdat dat verzoek in het geheel geen uitvoerbaar gegeven betrof… aangezien Dalí in Amerika woonde. In Spanje kwam hij slechts voor korte periodes. Maar alles pakte uit met een sprookjesachtige snelheid en angstaanjagende eenvoud. Dalí vernam aan de andere kant van de oceaan per telefoon het verzoek om een ontmoeting en antwoordde dat hij een aanhanger was van de grote componist en het als een eer beschouwde om hem op welk moment dan ook te mogen ontvangen in zijn bescheiden Spaanse behuizing, dat is vanzelfsprekend. Voor die eer laat hij alle zaken varen, die hij in wezen helemaal niet heeft. Wie heeft hem immers nodig, een arme oude kunstenaar? Hij zou nu naar het vliegveld gaan en op het vliegtuig stappen. Laten we zeggen morgen? Laten we zeggen om twee uur ’s middags? Als dat de congeniale componist Chatsjatoerian schikt, zal hij, bescheiden kliederaar Dalí, obscure pechvogel, de rest van zijn leven gelukkig zijn, geheel gelukkig, omdat zijn nietige persoon enige interesse tentoon heeft kunnen spreiden voor zo’n gigant en hemellicht van de wereldwijdemuziek. Bijna door een hartstilstand getroffen gaf de impresario die uitnodiging door aan Chatsjatoerian en met Spaanse takt gaf hij te kennen dat de roem van Chatsjatoerian nu alle denkbare en ondenkbare grenzen overtrof, zoals de meester Dalí zelf, die in staat is elke willekeurige president van heinde en verre te ontbieden – alsof het niets is, gewoon zomaar voor een schandalige zelfreclame! – zo hoog achtte hij Chatsjatoerian. Die volgende dag om drie voor twee brengt een limousine van de overheid Chatsjatoerian met de impresario, secretaris en tolk tot de poort van Dalí’s witstenige Mauretaanse kasteel, met torentjes, spitsen, kantelen en vlaggetjes. De poortwachter en de bewaker in verblindende livreien slaan de poort open en delen mede dat de heer des huizes reeds wachtende is, en dat het zijn wens is de ontmoeting te laten verlopen op een intiem, huiselijk niveau, en daarom is er geen tolk nodig. De vrouw van monseigneur Dalí is immers ook Russisch, en een auto is ook niet nodig, omdat monseigneur Dalí verordend had de gast na de ontmoeting terug te brengen in zijn eigen auto. Wie van u is señor Chatsjatoerian? Staat u mij toe, señor, komt u verder. Nee-nee, het is ons bevolen de overigen niet mee te nemen. De anderen halen hun schouders op en zijn niet verbaasd, omdat dat allemaal geheel in de geest van Dalí is. Ze geven Chatsjatoerian een hand, wensen hem een goede tijd, geven de groeten door aan hun grote landgenoot en vertrekken. Chatsjatoerian wordt over de marmeren laan begeleid naar het kasteel. Op het bordes maakt een lakei van het koninklijke hof een diepe buiging voor hem, en Chatsjatoerian begint te twijfelen: is hij wel correct gekleed, misschien was het gepaster geweest in een smoking te verschijning… maar daarvoor is hij echter niet gewaarschuwd, ja en het was overdag, een onofficiële ontmoeting bovendien… ja en hij is uiteindelijk zelf ook een groot man! Wat zou hij toch… De lakei nodigt hem uit in een sjieke ontvangstkamer – wit gipsen reliëf, klassiek massief parket en spiegels - stelt hem voor te gaan zitten en zegt op plechtige toon in het Spaans dat monseigneur Dalí dadelijk door de deur zal komen. Precies op dat moment slaat de oude klok aan de muur twee keer, de lakei maakt een buiging en verdwijnt na de deur achter zich dicht gedaan te hebben. Chatsjatoerian blijft alleen in de zaal achter. Hij zit op een sjieke met gouddraad doorweven bank uit het meubilair van Lodewijk de Vijftiende, vóór hem staat een mozaïeken tafeltje, en op dat tafeltje staan sierlijk Armeense cognacs, Spaanse wijnen, fruit en sigaren. In de andere hoek van de zaal staat een grote gouden kooi, met daarin een pauw die zijn regenboogachtige staart openspreidt. Er gaat een minuut voorbij, en nog een. Wetend dat punctualiteit in Spanje op geen enkel niveau gebruikelijk is, kijkt Chatsjatoerian levendig om zich heen, strijkt zijn haren glad en recht zijn das. Klaarblijkelijk zal Gala, de vrouw van Dalí, er ook zijn, aangezien er geen tolk vereist was. Hij bereidt openingszinnen voor en verfijnt subtiele complimenten. Om tien over twee veronderstelt hij dat Dalí elk moment kan komen en hij luistert of hij stappen hoort. Om kwart over twee gaat hij wat comfortabeler zitten en haalt een sigaar uit het kistje. Hij blaast rook uit en slaat de benen over elkaar. Om tien voor half twee begint hij zich stilaan te ergeren – wat voor den duvel, inderdaad… hij had immers zelf twee uur gezegd! – hij schenkt zich een glaasje cognac in en drinkt het leeg. Om half drie schenkt hij nog een glaasje cognac in en spoelt het weg met een glas wijn. Hij plukt zelfs druiven! Dit is toch een breuk met de etiquette. Een schoftenstreek! Wat is hij, een jochie? Hij staat op, knoopt zijn jasje los, maakt de knoop van zijn das los, stopt de handen in zijn zakken en begint door de zaal te lopen. Hij wisselt blikken met de pauw uit. Die stomme vogel schreeuwt als een muilezel! De klok klinkt plichtsgetrouw elk kwartier, en om kwart voor drie begint Chatsjatoerian deze ontmoeting echt tegen te staan. Hij raakt de knop van de deur aan waardoor Dalí zou moeten verschijnen – misschien heeft de lakei zich van zaal vergist? – maar de deur is afgesloten. En Chatsjatoerian besluit dat hij tot drie uur wacht en dan kan Dalí naar de duivel lopen. Het is schandalig… dit is pas vernederend! Precies om drie uur spuugt hij zenuwachtig naar het sigarenpeukje, slaat als afzakkertje een glaasje ‘Achtamar’ achterover en stapt stevig op de deur af. Maar het blijkt dat de deur waardoor hij naar binnen was gekomen ook niet open wil gaan. Chatsjatoerian is verbaasd, draait aan de deurknop, haalt zijn schouders op. Hij probeert alle deuren van dat paleisvertrek na elkaar– ze zijn allemaal gesloten! Hulpeloos en woedend trekt en duwt hij, - ze hebben hem opgesloten! Nu slaat hij ter verbetering van zijn verstandelijk vermogens nog een cognacje achterover, scheldt hardop, spuugt op de staart van de pauw, doet zijn das af en propt hem in zijn zak… Hij zoekt een bel of telefoon – om de huisknecht te bellen of wie daar dan ook moge zijn. Niets wat daar op lijkt. Misschien is er iets met Dalí gebeurd? Misschien is hij niet aangekomen? Maar ze hebben hem immers vol overtuiging uitgenodigd… Krankzinnig! En hij wil intussen trouwens wel wat vreten! Hij is hebberig, van die vreetgenoegens houdt hij wel, en het is lunchtijd: daarbij had hij van tevoren speciaal niets gegeten, om een plaatsje over te houden voor de lunch met Dalí – een lunch moet er in ieder geval toch zijn, nietwaar? Hij gaat weer aan het tafeltje zitten, kiest een wat rijpere peer uit, bevlekt zijn hemd met een sinaasappel, stort zich op de cognac, het fruit… Aram Iljitsj moet naar het toilet. En de deuren zijn gesloten!!! Geen etiquette of regels van goed gedrag zijn nu van toepassing, hij klopt op alle deuren, eerst bedeesd, maar later dreunt hij gewoon met zijn voeten: geen antwoord. Dan probeert hij de ramen te openen – of te schreeuwen, of… Maar de lancetvensters van het kasteel hebben gesloten kozijnen en die gaan hoe dan ook niet open. Chatsjatoerian begint op zijn korte beentjes te rennen en steeds meer te vuilbekken. En tegen vier uur raakt al zijn geduld op en hij besluit: kijk, het is precies vier uur, wat er ook moge gebeuren, ze kunnen van mij allemaal door de grond zakken! Op het podium tussen de ramen staat een vaas uit Dalí’s collectie afkomstig, uit de Mauretaanse oudheid. Met een mooie vorm en een uitstekend volume. En die vaas beheerst zijn gedachten steeds meer. Om vier uur maakte hij een sprong en plast met wraakzuchtige opluchting in die vaas en denkt dat het leven er toch niet al te slecht voorstaat: een kasteel, wijn, een pauw… en de hoogte van de vaas is precies goed. De klok slaat viermaal, en bij de laatste slag komt uit verborgen luidsprekers met een verdovend volume ‘De sabeldans!’. De deur slaat met een klap open en bovenop een zwabber komt Dalí poedelnaakt naar binnen gevlogen, boven zijn hoofd een sabel zwaaiend! Hij paradeert naakt op de zwabber door de hele zaal, zwaaiend met zijn sabel, richting de deuren aan de overzijde – ze laten hem door en klappen dicht! De muziek wordt afgebroken. De lakei komt binnen en deelt mede dat de audiëntie afgelopen is. Nu nodigt hij hem uit naar de uitgang. De sprakeloze Chatsjatoerian brengt zich ijlings op orde, probeert zijn bespatte broek op orde te brengen. Op het bordes overhandigen ze hem eerbiedig een luxueus album van Dalí, Hollandse druk, goud op snee, met een aandoenlijke opdracht van de heer des huizes, een herinnering aan die onvergetelijke ontmoeting. Ze zetten hem in een auto en brengen hem naar het hotel. Onderweg komt Chatsjatoerian tot zichzelf en wil dat walgelijke album wegflikkeren, maar hij bedenkt zich en gooit het niet weg. In het hotel wachten ze hem op en vragen luidkeels hoe de ontmoeting tussen de twee giganten is verlopen. En hij speldt ze iets op de mouw over gesprekken over kunst, pogend niet veel woorden te gebruiken en niet al te leugenachtig te zijn. Diezelfde dag publiceren de avondkranten een volledige uitleg van de gebeurtenis, waarin Dalí vergevend reageert op het gebruik van de gast uit het wilde Rusland om collectievazen van honderdduizend dollar en van zeshonderd jaar oud als po te gebruiken. In ieder geval is Chatsjatoerian nooit meer in Spanje geweest.
|
Laatst gewijzigd: 06.05.04