Michail Weller, "We kunnen nooit " home



We kunnen nooit. We doen van alles. We geven bloed en rekenschap; betalen contributies en autokeuringen; rapporten en scheepsladingen; examens en riolering; voor allerlei objecten en posities. Onze echtgenotes zeggen dat wij alleen maar weggeven. We schenken voor jubilea en nog wel meer dan het geplande, in gedeelten en alles ineens; op rode werkdagen en zwarte zaterdagen. We geven voor de garderobe en voor steun; voor een naamsvermelding en voor een begrafenis, ter verheerlijking; we schenken aan innamepunten; we geven voor een periode en voor een titel, met geld en doperwtjes; aan het vakbondscomité en het archief; we geven te vroeg aan de glazenzetter en voor theaterkaartjes, omdat we toch nooit naar het theater kunnen.
Wij hebben onze eigen tragedie. We kunnen nooit. We werken. Arbeid kleurt de mens. Van die kleur kom je tijdens een maand vakantie nauwelijks af.
We hebben te veel chefs en wittebloedlichaampjes, water in onze zure room en concurrenten op de woninglijst, we dragen muskusratmutsen, daarom zien we er zo slecht uit.
We moeten uitrusten. Tot onszelf komen. Even liggen. Even de stilte aanhoren. Aan een jong bloempje ruiken. Maar toch kunnen we nooit. We kunnen nooit boeken en notenschrift voorlezen aan onze kinderen; klachten en dissertaties schrijven; op visite gaan en op de ski's; het theater bezoeken en de tandarts; denken over het leven en kinderen krijgen.
En als die er niet komen, waar is heel die mallemolen in godsnaam dan voor nodig?

Vertaald door: Carel Schouten


Laatst gewijzigd: 28.08.04