Maandag is een zware dag, dat zeker. Maar dinsdag
viel nog erger uit: Tsjizjikov werd van zijn werk getrapt. Dat kwam zo.
Op maandag speelde Tsjizjikov het klaar in de ochtend ruzie te maken met
zijn vrouw, hij kreeg het op zijn heupen, en toen hij in zijn museum kwam,
glipte alles tussen zijn vingers.
Tsjizjikov werkte op de beschermingsafdeling inzake plattelandsarbeid,
hij hield zich bezig met de coördinatie daarvan. Tot zijn verplichtingen
behoorde het sluiten van overeenkomsten met de leiding van andere musea
over de organisatie van reizende tentoonstellingen, met directeuren van
sovchozen - over de plaatsing van werknemers en kunstvoorwerpen, met secretarissen
van districtsbesturen - over de beveiliging van de directeuren en het
wagenpark, en over de vervoersvoorziening. In feite bestond de hele afdeling
uit hem alleen.
Er werden ongeveer éénmaal per maand reisjes georganiseerd,
zodat er maar weinig werk was, maar Tsjizjikov had dan ook een klein salaris,
en hij verdiende bij door een halve aanstelling als gids, hij begeleidde
groepen door de Peter- en Paulusvesting. Je moet toch kunnen leven.
Hij was trouwens een goede gids. Hij inspireerde, er kwamen tragische
tonen in zijn stem, zijn lichaamshouding werd zelfs wat elegant en gewichtig.
Tsjizjikov hield van die bezigheid, en er werden regelmatig dankbare woorden
in het gastenboek geschreven.
Het zat dus zo dat het op die onfortuinlijke maandag voor Tsjizjikov allemaal
niet meer goed kwam. Normaal gezien had hij altijd al pech. Bij de directeur
van de sovchoz waren de wintergroenten bevroren en dus had hij even geen
tijd voor Tsjizjikov, in het districtsbestuur was iedereen naar een of
ander uitreisbureau gegaan, krenterige musea gaven geen kunstobjecten
te leen, over de telefoon werd de hele tijd op een idiote manier de volgende
vraag herhaald: "Wat is Tsjizjikov voor iemand" - die verduivelde
telefoon smolt weg in zijn hand en zijn stem werd hees.
Maar uiteindelijk slaagde Tsjizjikov er toch in alles te organiseren,
en daar werd hij zo blij, afgemat en bezweet van, dat hij vergat het wagenpark
te bellen. Het was hem gewoon helemaal ontschoten. Iedereen had zich er
natuurlijk op verheugd weg te rijden - maar er was niets om in te rijden.
Vreselijk! De directeur riep Tsjizjikov op het matje. Hij regelde voor
hem een klein Waterloo.
'Ik jaag je over de kling! Over drie klingen!!!' brulde de directeur,
na het laatste beetje geduld te hebben verloren. 'Hoelang kun je dat werk
god nog aan toe nog dwarsbomen en mensen op de zenuwen werken! Wanneer
ga je die sabotage van je staken?' zijn verontwaardiging werd immens,
hij slaakte een kreet en stampte met zijn voeten op het parket.
De goedlachse Tsjizjikov beheerste zich even niet en gaf een knor.
'Kijk aan', zei de directeur vermoeid en liet zich zakken in zijn fauteuil
'Lach me maar uit, oude dwaas die ik ben. Een ander had je er allang uitgeschopt.'
'Pjotr Aleksejevitsj…' mompelde Tsjizjikov smekend.
'Voor de werknemers zijn excursies uitgeschreven', de directeur van de
sovchoz verzamelt mensen in de club, de secretaris van het districtsbestuur
zorgt voor een normale uitvoering van maatregelen' maar Kesja Tsjizjikov
was vergeten bij het wagenpark een bus te regelen. Voor de hoeveelste
keer?'
'Voor de tweede keer', fluisterde Tsjizjikov, en hij wiebelde op het brede
met tapijt beklede pad.
'En wie heeft de delegatie, waarop wij zaten te wachten, beneden onderschept
en weggejaagd?'
Tsjizjikov begon te zweten.
'Ik dacht dat het buitenstaanders waren', zei hij diep droevig. 'Ik wilde
het zo goed mogelijk doen.'
'Kesja', zei de directeur onbuigzaam, 'weet je, wat mij betreft is het
genoeg. Laten we doen wat het beste voor ons is, goed?'
Tsjizjikov keek onverzettelijk naar zijn scherpneuzige, stijlloze schoenen.
'Wie heeft Paltsev uitgescholden?' zo viel er een zwaar verwijt. 'Dat
verzin je toch niet: een gepensioneerde van republikeinse aard, een Komsomollid
van 1918 die gestreden heeft met Joedenitsj!'
'Ach!'
'Het karakter van die oude man is geen lolletje', stemde de directeur
in. 'Maar hij wilde je toch helpen. En jij wilde hem uitfoeteren. En hij
maar klagen, en mij een opmerking van boven geven!'
'Ik heb immers mijn excuses aangeboden', - smeekte Tsjizjikov.
'En wie heeft de geschiedeniscartotheek van de pioniersbeweging weggeflikkerd?
Alik heeft vier jaar over de samenstelling ervan gedaan!'
'Er werd gerestaureerd, het was een puinhoop, dat weet u toch?' zei Tsjizjikov
moedeloos. 'Glafira Semjonova had verordend het teveel weg te ruimen,
ze wees naar een hoek… maar dat had ik niet door.'
'Je hebt twee weken de tijd', resumeerde de directeur, na een besluit
te hebben genomen en uiteindelijk tot rust te zijn gekomen. 'Kijk om je
heen, zoek een werkplekje uit, en tegen het eind van de dag dien je een
ontslagbrief in.'
'Pjotr Aleksejevitsj', Tsjizjikov drukte zijn handen tegen z'n stropdas,
'Pjotr Aleksejevitsj, ik zal het niet meer doen.'
'Kesja', vroeg de directeur zich poeslief af, 'bij wie donderde tijdens
een excursie in de Peter- en Paulusvesting een scholier van de muur af,
die daarbij als door een wonder zijn nek niet brak?'
…Buiten het raam was de Neva, aan de overkant was het gebouw van
de Kunstacademie te zien, en ook het bijna niet te onderscheiden monument
voor Kruzenstern.
'Mijn beste', zei de directeur. 'Het zal voor mij zonder jou natuurlijk
niet zo interessant zijn. Maar ik zal er wel uitkomen. Laat mij en mijn
museum om Gods wil toch met rust.'
Tsjizjikov draaide zich om en liep naar de deur.
Hij was onlangs zesendertig geworden, hij was mager, klein van stuk en
had hoge schouders. Hij was er allang aan gewend dat hij getutoyeerd werd,
met zijn onserieuze voor- en achternaam waar hij zich ooit aan geërgerd
had, hij was gewend aan zijn eeuwige pech, aan de reprimandes, het blut
zijn en het feit dat zijn vrienden hem vergaten.
Hij wachtte het eind van de dag niet af, hij tekende zijn ontslag, liet
dat zwijgend achter bij de personeelsafdeling, trok zijn jasje aan en
ging naar buiten.
In de bijtende rook brulden de MAZ-vrachtwagens en de Tatra's over het
Plein van de Arbeid. Tsjizjikov strompelde langzaam voort door de sneeuwmodder
op de Boulevard der Prof-unies, hij rookte een "Aurora", inhaleerde
en haalde onderweg zijn schouders op.
In de "Barricade" kocht hij voor twintig kopeke een kaartje
voor de nieuwe Poolse film "Anatomie der liefde". Vriendinnen
van zijn vrouw hadden de film de hoogste lof gegeven, maar zijn vrouw
kwam altijd laat van het werk terug, en kon zich er niet toe zetten ook
nog eens naar de bioscoop te gaan.
Tsjizjikov vond de film niet leuk. De actrices waren allemaal te lief
en hadden te lange benen, de belangrijkste held vertoonde geen krimp op
zijn gezicht en was gewetensvol, ze werkten gedreven, kleedden zich modieus,
leefden in ruime woningen en waarom ze in godsnaam in paniek raakten en
er scènes van maakten, dat bleef geheel onhelder.
Daarna ging hij op pad naar het Russisch Museum. Op de tentoonstelling
van moderne kunstenaars zag hij een opmerkelijk schilderij: in de taiga,
aan de bosrand staat een klein uit balken opgetrokken huisje, boven het
dak kronkelt een rooksliertje, dichtbij stroomt een doorzichtig beekje,
en er is een driehoek van een soort vogels, ganzen waarschijnlijk - of
waren het zwanen? - de zonsondergang komt nabij. Dat beeld beviel Tsjizjikov
ten zeerste. Hij stond er lang voor te kijken en snoof alles op; hij stelde
zich voor hoe fijn het zou zijn zo ver in het bos, in zo'n hutje, een
kachel te stoken en haardblokken op het vriendelijke vuurtje te leggen.
Hij zou een dubbelloopsgeweer aanschaffen voor de jacht, korhoenders schieten
op open plekken in het bos, en misschien ook herten. 's Winters zou je
er kunnen skiën, en 's zomers baden in de beek, bessen plukken en
in het prikkelende gras liggen, kijken hoe in de lucht vluchten vogels
uit het gloeiendhete verre Afrika naar de noordelijke toendra komen aangedreven.
'Hoe vaak moet ik nog zeggen dat het museum gesloten is!'
'Wat?!'
'Het museum is gesloten!' riep de suppoost en zwaaide met haar armen.
'Gaat u alstublieft naar de uitgang, spreekt u geen Russisch of zo?'
Tsjizjikov bedacht dat hij naar huis moest gaan, en hij raakte slecht
geluimd.
Het werd al donker, op de trottoirs lagen vuile half gesmolten plassen,
Tsjizjikovs schoenen raakten doorweekt. Hij ging een winkel in - gewoonlijk
kocht hij daar levensmiddelen - maar een besnord dik oud wijf drong brutaal
voor, de verkoopster schreeuwde hem toe dat hij een bon voor de verkeerde
afdeling had; hij was nu geheel ontstemd, ruilde de bon bij de kassa in
en liep de winkel uit.
Toen liep hij een bodega binnen op de hoek van de Herzenstraat, dronk
daar twee glazen vermout in één teug op - wat hem een vuil
gevoel gaf - en te voet, zonder zich te haasten, stiefelde hij naar huis,
bij de metrohalte Petrogradskaja.
Langzaam beklom hij de afgesleten trap naar de vierde verdieping. Zachtjes
opende hij de stroeve deur. In de keuken bakte buurvrouw Nina Aleksandrovna
een of andere walmende vis. Ze bewoog direct haar gevoelige neus, en richtte
haar ronde kwaadaardige ogen als van een Bolognezer hond op Tsjizjikov.
'Nog dronken ook', constateerde Nina Aleksandrovna met een kwaardaardige
stem.
'Nou zeg, wat hebt u?' glimlachte Tsjizjikov kruiperig en veegde ijverig
zijn schoenen.
'Je bent zo zat als een deur, lieve schat!' overdreef Nina Aleksandrovna.
'Kijk, voor je het weet zit je opeens in een woning vol alcoholisten!
Weet je, 's nachts rookt-ie, stommelt-ie door de gang, kucht onder de
deur door, en overdag drinkt-ie!'
'Zwijg!!' blafte Tsjizjikov als een witte gardist en zijn gezicht veranderde
van kleur als een stoplicht.
Nina Aleksandrovna kreeg een toeval, kroop weg in een hoek en schudde
met haar geverfde haar. Triomfantelijk stampend stapte Tsjizjikov door
de smalle gang voort naar zijn kamer.
'Ach jij parasiet!' siste Nina Aleksandrovna hem witheet na. Ik ga naar
het politiekantoor, ik ben verantwoordelijk voor het huis, ik laat je
er uitzetten, dronken rotkop!
'Ik geef je de kogel!' Tsjizjikov kwam met een rubberen laars op haar
af, maar ging toch zijn kamer in.
De achternaam van Nina Aleksandrovna was Tsjizjikova, en dat feit bracht
Tsjizjikov tot woede.
In de kamer deed Iljoesjka, het zoontje van Tsjizjikov, zijn huiswerk.
Zijn bril weerkaatste het licht van de schemerlamp, zijn rode oren stonden
recht overeind. De stakker was in de tweede klas blijven zitten. Oh, mijn
bebrild grootorig kleintje. Tsjizjikov liep op zijn zoon af en streek
hem over zijn bolletje.
'Leer maar, zoontje, leer jij maar. Dan ga je over naar de derde klas
- en dan koop ik een fiets, zoals ik had beloofd.'
'Een "Jonge arend"?'
'Ja, een "Jonge arend".'
De zoon peuterde in zijn neus. Goedgelovig drukte hij zich tegen Tsjizjikov
aan.
'Pappie, wanneer gaan we verhuizen?'
'Gauw, Iljoesjka. Al heel gauw zijn we aan de beurt en gaan we verhuizen.'
'Over een jaar?'
'Ongeveer.'
'Duurt het echt nog zo lang - een jaar!'
'Voor je het weet is het voorbij.' zei Tsjizjikov en klopte zijn zoon
op de schoudertjes.
'De lente, zomer, herfst - en dat is alles.'
'Pap, en gaan we in de zomer naar het zuiden? Tolka Sjpakov is er geweest
en zegt dat het er zo fijn is.'
'Dat doen we' besloot Tsjizjikov. 'We gaan absoluut.'
Ja, dacht hij, we doen het gewoon, gaan met die handel.
'Wil je wat eten?' vroeg hij.
'Ja.'
'Ik ga zodadelijk iets voor ons in elkaar flansen.'
Och, het zou heerlijk zijn om even in die boshut te verblijven! En met
zoon samen kunnen we…
Zijn vrouw kwam pas om negen uur, toen ze met z'n tweeën televisie
zaten te kijken: wat houden ze een boekhoudster toch lang op?
'Zo', zei zijn vrouw. 'Dat kijkt maar televisie, terwijl de vaat vuil
op het aanrecht ligt.'
'Nou Elja', knorde Tsjizjikov verzoenend. 'Ik zal zo de vaat wel even
doen. Wind je niet zo op.'
'Je zet nog geen voet over de drempel en er is weer vuiligheid, en ik
me maar weer uitsloven. Ja, wat ben ik voor jullie, een werkpaard of zo?'
Iljoesjka kromp ineen en sloeg zijn ogen neer.
'Over een maand verhuren ze het coöperatieve huis', deelde Eleonora
haatdragend mee. 'De Chomjakovs gaan verhuizen.'
'Wat doe je eraan als we geen geld hebben voor de woningbouwcorporatie?'
zei Tsjizjikov nuchter. 'Spoedig krijgen we iets nieuws via de stedelijke
wachtlijst.'
'Dat spoedige van jou…' zei ze zwaarmoedig. 'Anderen verdienen geld.
Worden naar het noorden gerekruteerd, naar onontgonnen land. Zo heeft
de man van Tanja in de zomer anderhalf duizend roebel meegebracht - ze
bouwden iets onder Tjoemen. En ben jij nou een màn? Dat is me ook
zo'n woord…'
'Nou, Eletsjka', probeerde Tsjizjikov tot verzoening te komen. 'In de
herfst hebben we toch Italiaanse laarzen voor je gekocht. Een mantel,
en nog iets…'
Eleonora stokte en wendde haar blik af. Haar gezicht werd vlekkerig.
'Stommeling', siste ze hatelijk.
'Dat zal wel', zuchtte Tsjizjikov en droop af naar de keuken om de afwas
te doen.
Voor het slapen gaan trilde zijn vrouw en wendde zich af toen hij bij
haar kwam liggen; haar borsten schenen door haar blauwe nylon peignoir.
Tsjizjikov klapte gelaten een vouwbed uit tussen de tafel en de televisie.
's Nachts rookte hij lang in de gang, tikte zijn as af op een gekarteld
schoteltje. Nog steeds leek daar de hut te zijn, de geur, de taiga's,
een koel snel beekje, gegak van ganzen hoog in de lucht… Een kwade
ingeving - zijn ademhaling stokte zelfs, hij werd duizelig. Met zijn hand
tegen de muur leunend voelde hij iets ronds, hij kneep er machinaal in;
hij pakte het op en keek. In zijn hand lag een onbegrijpelijke vrucht.
Tsjizjikov rook eraan. De vrucht was muf en rook naar lijm. Op de tast
was hij ruw als karton, en licht bovendien. Hij kneep er harder in. De
vrucht gaf zachtjes mee, maar er zat geen sap meer in. Tsjizjikov probeerde
er in te bijten. Dat was vies, weer leek het op karton.
Hm. Hij stopte de vrucht weer terug in de muur. Hij bleef los van de tros
hangen, het steeltje hing terzijde. Tsjizjikov hing hem voorzichtig op…
Daarna begon hij ze met interesse te manipuleren.
Hij gooide zijn hoofd in zijn nek en kruiste zijn armen voor zijn borst,
net als een kunstenaar bij zijn schildersezel, hij wierp een blik op de
deur van Nina Aleksandrovna en zette zich aan het werk. Van de vruchten
maakte hij een heuveltje met een kruis, uit kapotgemaakte trossen creëerde
hij een kort en weinig fatsoenlijk grafschrift. Met zijn scheppend oog
taxeerde hij zijn werk, hij knipperde, rookte een sigaretje, overdacht
het een en ander. En tevreden ging hij slapen.
Hij ging met veel rumoer liggen, zonder eraan te denken dat het vouwbed
piepte en rammelde.
Tsjizjikov ging 's ochtends niet naar het werk - het maakte immers niet
uit. In plaats daarvan bladerde hij vol herinnering door oude notitieboekjes,
zocht het telefoonnummer van een klasgenoot op die een relatief bekend
kunstenaar in de stad was geworden, en nodigde zichzelf uit.
De kunstenaar arbeidde op de bovenverdieping van een oud huis aan de Tjernjachovskaja
straat. Het licht kwam door het schuine glazen plafond, het rook naar
olijven en stof, de kunstzinnige, veelsoortige inventaris lag overal in
het rond.
'Aha!' zei hij tegen Tsjizjikov en strekte zijn arm met lange mouwen en
glinsterende nagels uit. De hand van een echte kunstenaar, merkte Tsjizjikov
hoogachtend op, terwijl hij hem schudde.
'Goedemiddag', groette hij hem diplomatiek, zonder te weten of hij hem
nou moest tutoyeren of niet.
'Gegroet, Kesja, ouwe gabber', zei de kunstenaar hartelijk en glimlachte.
'Ik ben blij dat je er bent, echt blij. Kijk, weet je, het is aangenaam
wanneer schoolkameraden na twintig jaar nog aan elkaar denken.'
'Dat vind ik ook', zei Tsjizjikov, 'ik ben erg blij, Volodja.', en nogmaals
schudde hij met een gevoel van welbehagen zijn hand.
'Dus, laten we drinken op de samenkomst'. De kunstenaar haalde uit een
knarsend kastje een aangebroken fles cognac, harkte de verftubes van de
rand van de tafel en veegde met zijn middelvinger twee glazen af. In zijn
zwarte gewaad, waaronder een brede gestreken broek en twee zeemleren schoenen
te zien waren, was hij zeer imposant.
'Op het rendez-vous', en ze sloegen de borrel achterover.
De kunstenaar reikte hem sigaretten aan uit een pakje met een kameel erop,
hij klikte met een curieuze aansteker.
'Hoe gaat het ermee', vertel maar eens.
'Het gaat wel redelijk', zei Tsjizjikov. 'Ik krijg spoedig een woning.'
'Dat is goed', stemde de kunstenaar in. 'Weet je, voor mij kunnen ze maar
geen fatsoenlijk atelier geregeld krijgen. Een aantal talentloze lui krijgt
voorrang, en ik maar zitten in deze gribus…'
Hij schudde zijn hoofd en zuchtte.
'Ben je getrouwd?' informeerde hij.
'Ja… Al tien jaar.'
'Zo zo' zei de kunstenaar verrukt. 'Knap hoor! En heb je kinderen?'
'Een zoon', zei Tsjizjikov. 'Hij zit in de tweede klas.'
'Wat goed zeg! Kijk, ik heb nog geen gezin, zo lijkt het', hij lachte
even.
Tsjizjikov begon heen en weer te schuiven.
'Nou en wat doe je zoal, vertel me eens', vervolgde de kunstenaar.
Zonder te weten hoe te beginnen, keek Tsjizjikov om zich heen. Hij naderde
de schildersezel. Met feestelijke stralen bescheen de zon het achterste
deel van de tuin. Op de voorgrond was een uitgedoste kolchozenvrouw te
zien, staand op een laddertje, perziken van de boom aan het plukken.
'Kijk', fluisterde hij…
En hij trok het laddertje weg.
De lijvige dorpelinge hing in de lucht. Het laddertje stond even vlakbij
de schildersezel en viel helemaal uit zichzelf krakend op de grond.
'Nou?' vroeg Tsjizjikov triomfantelijk. Hij plukte een perzik en legde
hem op tafel.
'Nee', zei de kunstenaar, 'dat is zo slecht. Dat vind ik maar niks. Dat
is ook surrealistisch, maar middelmatig.'
Machinaal beet hij in de perzik.
'Jakkes!' hij spoog en trok een gekweld gezicht. 'Hij is blauwig van binnen',
en hij slingerde de smerige vrucht in de hoek. 'Zo kun je nog eens een
vergiftiging oplopen!'
'Sta je dan nergens van te kijken?' vroeg Tsjizjikov verbluft.
'Waar heb je het over? Aha…' de kunstenaar lachte hooghartig. 'Wij
hebben, mijn beste, in de beeldende kunst,' legde hij neerbuigend uit,
'zulke meesters! Zulke charlatans! Denk nou niet dat ik het over jou heb',
bedacht hij zich plotseling, 'ik bedoel in het algemeen… Laten we
nog een cognacje nemen.'
De beduusde Tsjizjikov dronk.
'Kom nog eens langs', nodigde de kunstenaar uit, 'ik zal je dan meer vertellen!'
'Zo zo dus', overpeinsde Tsjizjikov, terwijl hij de trap afdaalde. 'Wat
val jij me tegen… met wie zou ik wat uitgebreider kunnen praten?'
De volgende dag ging hij met hetzelfde idee naar Grisjka Raskin, met wie
hij in de vijfde klas in hetzelfde schoolbankje had gezeten. Later was
Grisjka begonnen te graven in de leerboeken, op te treden bij allerlei
olympiades, hij had een bril gekocht, hij had nooit genoeg tijd, en hun
vriendschap was derhalve langzaam aan uitgedroogd.
Grisjka werkte bij het Universitair Natuurkundig Researchinstituut, hij
hield zich bezig met vraagstukken aangaande fluorescentie en was zijn
dissertatie aan het voltooien.
Hij kneusde Tsjizjikov met de stevige hand van een alpinist - iedere zomer
ging Grisjka naar Pamir. Hij was zelfs, zo werd gezegd, een meester in
het bergbeklimmen; hij sleepte hem naar boven toe over smalle steile trappetjes
met ijzeren spijltjes en toen een klein kamertje binnen.
Tsjizjikov ging in een hoekje van de kamer op een gewone kantoorstoel
zitten en keek ontgoocheld om zich heen.
'Nou', humde Grisjka, 'lijkt het niet op een natuurkundig laboratorium
zoals je in de film ziet?'
'Ja, op zich had ik me alles wat anders voorgesteld', gaf Tsjizjikov toe.
De muren van het hok waren met groene olieverf gedaan, net als bij hem
in het toilet. Een zwart massief aggregaat stond recht overeind als een
struikgewas vol gecompliceerde details, dat bijna de hele ruimte in beslag
nam. In een hoek lag een kantoorboek op een klaptafeltje en er stonden
twee stoelen.
'Dit is nog niets', rekte Grisjka zich dromerig uit, 'in de herfst richt
ik mijn huis degelijker in. En van binnen ben ik zogezegd reeds geëquipeerd.'
'Ik heb hier, zo lijkt het, toevallig iets ontdekt', sprak hij enigszins
verward een voorbereide zin uit en haalde een briefkaart uit zijn portefeuille.
Een diamanten dauwdruppeltje glansde op het strakke broze bloemblaadje
van een lelie.
'Kijk aandachtig', verzocht hij. Grisjka ging wat gemakkelijker zitten
en begon geconcentreerd te kijken.
Tsjizjikov stopte voorzichtig twee vingers in de briefkaart. Hij pakte
de afgesneden stengel. De gele lelie trilde in zijn hand. Het dauwdruppeltje
viel in een kopje. Op de briefkaart bleef een vervaagde achtergrond achter.
'Ver-ma-ke-lijk', oreerde Grisjka. Hij draaide de briefkaart, keek ernaar
in het licht, voelde eraan. 'Ver-ma-ke-lijk. Vertel eens, hoe doe je dat?'
'Gewoon', zei Tsjizjikov. 'Ik zet me ertoe en ik doe het. Ik weet zelf
niet hoe. Zo zit dat. Hij nam de briefkaart en zette de lelie weer op
z'n plek. Nu zat er geen dauwdruppeltje meer op de bloemblaadjes.'
'Allang?' vroeg Grisjka geïnteresseerd.
'Twee dagen. 's Nachts, weet je, rookte ik in de gang…'
'Quasipolygravitationeel drie-el-fi-overgang in minus-n-kwadraat-oppervlak',
mompelde Grisjka, en richtte zijn ogen naar zijn neuswortel. Misschien
heeft hij iets anders gezegd, Tsjizjikov had het evengoed niet begrepen.
'Luister eens, Kesj', zeurde Grisjka, met een scheef oog naar de klok
kijkend, en trok Tsjizjikov aan zijn mouw.
'Ik, excuseer mij, moet me dadelijk naar de kelder begeven, daar wordt
zometeen een proef gehouden. En jij moet naar het vijfde laboratorium,
naar Aristid Prokovjevitsj, zeg dat je via mij komt. Hoe je er komt, leg
ik je nog wel uit.'
Hij rukte uit zijn notitieblok een blaadje en krabbelde er een Chinees
raadsel op, eindigend met een kruisje.
'Eerst hier, daarna hierheen en dan daarheen, duidelijk? 's Avonds bel
je mij op en verlies je geen contact met me.'
Ongeveer een uur bewoog Tsjizjikov zich voort over een onvoorstelbaar
scherpzinnige, maar zich met de onbuigzaamheid van een natuurwet herhalende
baan, tot hij er uitviel bij de deur naar het vijfde laboratorium, dat
tijdelijk was ondergebracht in de ruimte van het derde laboratorium. En
hij vernam dat Aristid Prokovjevitsj gisteren voor een maand naar Novosibirsk
was gevlogen om lezingen te geven, maar dat was niet helemaal zeker, en
waar hij dan precies was, wist niemand. Misschien is hij in het tweede
laboratorium, maar dat zal toch wel niet.
Nog twintig minuten later baande Tsjizjikov zich een weg naar buiten.
Vermoeid sjokte hij over de Mendelejevskaja Linija, zette zijn kraag overeind
tegen de motregen en werd droevig.
De hele vrijdag bracht hij piekerend door. Hij kon Grisjka telefonisch
niet te pakken krijgen, niet thuis, en ook niet op zijn werk. En ondertussen
miezerde het maar voort.
In de hiërogliefen van zijn notitieblokken stuitte hij op het oude
huisadres van Serjozjka Boersikov, een stil jochie, dat constant een verstopte
neus had. In zijn tijd ging het gerucht dat hij na school naar het geestelijk
seminarium was gegaan.
Joost mag het weten, dacht Tsjizjikov… Hij dacht even en besloot
het te doen.
Het overgebleven deel van de dag besteedde hij aan het inwinnen van inlichtingen.
Zaterdagavond stapte hij op de trein vanaf het Vitsebskstation, en reisde
naar een Witrussisch stadje waar Boersikov aartspriester was geworden.
Tegen zijn vrouw had hij gezegd dat hij op dienstreis ging; zij was daardoor
allerminst bedroefd.
De kerk stond in een ondergesneeuwd parkje op een heuvel, niet ver van
de bazaar. Bij de poort zaten twee mannen op een bankje te roken.
Tsjizjikov groette hen met een zekere behoedzaamheid, licht buigend, voor
de zekerheid deed hij zelfs zijn hoed af - mede doordat het warm was -
en hij informeerde waar hij de aartspriester, Sergej Anatoljevitsj Boersikov
kon vinden.
'Waar komt u voor?' vroeg een oude man met soldatenmuts op.
'Voor iets persoonlijks', antwoordde Tsjizjikov snel. Hij kende zijn Ilf
en Petrov.
'Daarheen', zei de oude man en zwaaide naar een gele uitbouw bij de schutting.
In de uitbouw bleek een kleine kapel te zijn, en in het gangetje achterin
was een secretariaat annex boekhouding; Tsjizjikov werd een beetje schuchter.
Hij was nooit eerder in een kerk geweest.
De afzonderlijke gezichten van heiligen staken donker af tegen de heldere
achtergrond van de iconen. Een gebochelde oude vrouw wreef met een doekje
over het spreekgestoelte, dat versierd was met zilveren figuren. Door
de grote gang, voor zich uitkijkend, in een tot de vloer reikend priesterkleed,
schreed een lange kaarsrechte man voort. Het oude vrouwtje trippelde geluidloos
op hem af, kuste de rode stevige hand met een ring aan de wijsvinger.
De zondagsdienst was een uur geleden afgelopen, Tsjizjikov trof de aartspriester
al omkledend aan.
'Ik luister', zei de aartspriester vluchtig, zonder Tsjizjikov een plaats
aan te bieden.
Hij zag er onverwacht alledaags en naar de mening van Tsjizjikov zelfs
onbehoorlijk uit. Zonder baard, de aartspriester was geschoren, kort geknipt,
gekleed in een standaard goedkoop pak. En hij had een gezicht als een
tomaat.
'Hallo', Hij was duidelijk niet op een gesprek uit.
'Ik ben Tsjizjikov', zei Tsjizjikov.
'O ja?'
'Wij hebben samen op school gezeten…'
'Hè?'
'In dezelfde klas, op school, Kesja Tsjizjikov, Tsjizjik, weet u nog?'
'Zeer aangenaam. Uiteraard. Ik luister.'
Er liepen mensen langs, de omstandigheden waren niet bevorderlijk. Het
bezoek dreigde in duigen te vallen. Tsjizjikov werd erg onrustig en brutaal.
'Ik heb een heel belangrijk verzoek aan u', fronste hij gewichtig. 'Een
confidentieel gesprek is noodzakelijk. Het liefst buiten werktijd…
Mm… Het beste thuis. Ik ben er speciaal voor gekomen.'
'U dringt wel aan', merkte de aartspriester ontevreden op… 'Komt
u maar tegen vijven.
Hij noemde het adres en pakte zijn jas.'
Tsjizjikov doolde wat door de stad. Op de bazaar kocht hij drie kilo voortreffelijke
antonovka-appeltjes - laat Iljoesjka maar wat vitamientjes tot zich nemen.
De aartspriester ontving hem in een krap zaaltje - de huiskamer, zo te
zien.
'Tot uw dienst.'
Tsjizjikov herhaalde het trucje met de briefkaart. De aartspriester volgde
oplettend.
'En wat dan nog?' vroeg hij uiteindelijk.
'Wat?' Tsjizjikov begreep het niet.
'Bent u een goochelaar?'
'Het is geen goocheltruc', sprak Tsjizjikov helder. In afwachting van
een vraag draaide hij aan de franje van het tafelkleed. De aartspriester
snurkte wat afkeurend.
'Wilt u thee?' stelde hij voor.
'Volgens mij is het een wonder', verduidelijkte Tsjizjikov beschroomd.
'Hè?' vroeg de aartspriester verbaasd.
'Nou… God schept immers wonderen!' gaf Tsjizjikov er dwars doorheen
te kennen en liep rood aan.
'Laat u dat', wees de aartspriester hem terecht. 'Laat u dat.'
'Niet uit wonderen', voegde hij er met een onverwachte droefheid aan toe,
'het geloof bestaat in het geheel niet uit wonderen. Wilt u thee?'
'Nee, ik wil geen thee!' De nijdige Tsjizjikov was uiterst wanhopig geworden.
In het gemodelleerde vergulde kozijn sneed de heilige Maarten zijn mantel.
Een schilderij daartegenover: een oude man met een gepavoiseerde crucifix.
'En nu ben ik het die deelt!' citeerde Tsjizjikov en nam van de goedmoedige
heilige de niet geheel doorgesneden mantel. Met een vorstelijk gebaar
legde hij hem op de tafel neer. Hij tikte op de fikse gouden crucifix.
De stoffige ruige jas bleef op tafel liggen stinken. Hij legde de diepe
plooien op het matte kruis met fonkelende stenen.
Het gezicht van de aartspriester betrok…
'Kunnen we de orde niet herstellen?' vroeg hij vervreemd.
Tsjizjikov spoog van ergernis.
'Ik offer voor de kerk', antwoordde hij vol ergernis vanuit de vestibule.
's Avonds dronk Tsjizjikov thee in de trein en knaagde op vanillekoekjes.
Lang wentelde hij zich op het bovenste beddenplankje aan de zijkant, één
gedachte bleef hem kwellen. 's Nachts lag hij wakker.
De gedachte was als volgt:
Nu kan hij naar zijn hutje gaan.
In de ochtend was hij voor even naar huis gesprint om de appels voor Iljoesjka
in de koelkast te leggen, en ging op pad naar het Russisch Museum.
… Hij stond en stond maar voor het schilderij. Opzwepende geuren
van naaldhoutgeboomte, een lichte nevel boven het dak. Het leek of hij
ze tot zich nam met de oogleden op een kiertje.
Hij plukte ongemerkt een grassprietje. Een grassprietje is een grassprietje,
groen.
De suppoost staarde hem aan vanuit de hoek. Kijk nou eens, weifelde Tsjizjikov,
iemand zal het nog zien ook, en dan kom je niet onder een schandaal uit.
Ze zullen hem bij de voeten wegslepen en iets met het schilderij doen,
en daarna moet je maar zien hoe je je eruit wil draaien. Het moet 's nachts,
besloot hij. Me verstoppen in het museum, en als iedereen weg is er naar
toe kruipen.
Dat is makkelijk gezegd - me verstoppen… Hij bedacht iets. Hij keek
aandachtig door twee zalen naar een stilleven met een schuttinkje: je
kunt je er verschuilen. Het stilleven hing achter een beeld, de suppoost
breit, knikkebolt, er is niemand - dat komt goed uit. Voor de zekerheid
mat hij tweemaal met stappen de afstand uit tot zijn schilderij, hij zou
het nu blindelings kunnen vinden.
Maar hedenavond zou hij wel even thuis willen zijn. Voor de laatste keer,
potverdorie…
Hij was die avond somber en raadselachtig gestemd. Zelfs zijn vrouw hield
verbaasd op tegen hem aan te zeuren. Tsjizjikov kuste zijn zoon vaak op
de kruin, deed heel wat in huis en antwoordde zijn vrouw met een ongewoon
lieve en alles vergevende stem, wat haar van haar stuk bracht. Voor het
slapen gaan gleed hij desalniettemin langs haar blik, glimlachte met stil
verdriet en klapte het vouwbed uit.
Hij verscheen bij het museum rond vijf uur en van de gelegenheid gebruik
makend stevende hij zonder perikelen op zijn stilleven af. Achter het
schuttinkje lag wat troep, hij ging wat comfortabeler zitten en zette
het op een wachten.
De overgang bedacht hij precies om acht uur te maken. Wanneer iedereen
naar huis is, wanneer…
De tijd kroop natuurlijk uiterst langzaam voort. Hij wilde roken, maar
hij was bang: je kon nooit weten…
En dan… Als eerste gaat hij in het gras bij de beek zitten om te
roken en de zonsondergang te aanschouwen. Daarna… Daarna drinkt
hij naar believen van het water uit het beekje, hij verfrist zich waarschijnlijk,
en wast de pietepeuterige onreinheid van zich af.
…Zachtjes wiegen. Het is fris. Hij stond op en liep naar het hutje.
Hop! - een gestreept eekhoorntje lichtte op in het gras. Tsjizjikov bleef
even staan, glimlachte en klom omhoog naar het uitgedroogde bordes. Hij
ademde met een licht gelukkige opwinding - en duwde tegen de deur…
De schutting viel om. Tsjizjikov sprong op en was klaarwakker. Het was
twaalf voor acht. Hij trilde van ongeduld.
Zijn eerste stap in de donkere zaal was oorverdovend. Hij liep op z'n
tenen verder. Het geruis verspreidde zich over de enfilade.
Zo… Nog even… Hier is 't!
De rechthoek van zijn schilderij stak donker af tegen de muur. In volle
vaart greep hij met bezwete handen de lijst beet.
Hij hield even zijn adem in, sloot zijn ogen, boog als een duiker zijn
hoofd en kroop erin.
Er is iets niet…
Hij besefte het: een kreet. En hij had een snijdend voorgevoel.
"Dat is hem niet! - een fout! - ze hebben hem verwisseld!" -
een verblindende siddering deed hem op zijn kop staan.
Hij gleed door de modder over de zacht glooiende helling, hij werd uiteengescheurd
door een innerlijk "Verrr-rr-domme", hij greep twee geweren
met bajonetten beet, ze joegen elkaar achterna en een rode vlag zwaaide
in de schoten beneden bij de rantsoenwagen.
'Wat lig je daar te doen?!' hoorde hij iemand rochelen.
Hij voelde en begreep het: een schop.
'Waar zijn de wapens, schoft?!' schreeuwde iemand verpletterend met grote
adamsappel en een gescheurde pet op.
Verstijfd en spastisch hapte Tsjizjikov naar lucht.
'Uit de nieuwe aanwinst, nietwaar?'
'Ja, zei Tsjizjikov niet zelf.'
'Neem het geweer!' hij stak met de bajonet naar de ineengekrompen figuur
bij de plas. 'Kijk - hij is dood! Neem het patroontasje!'
Tsjizjikov greep op handen en voeten staand het geweer en wreef met zijn
hand het vuil eraf.
'Sta op! Godverdomme! TV-strateeg… Voorwaarts!'
Tsjizjikov rende onhandig, fanatiek en nogal snel de heuvel op en plaatste
zijn voeten op het gevallen lijf. De man met de grote adamsappel spoog
dichtbij, en wierp grijnzend een schuine blik op hem.
De frontlinie wierp verdedigingswallen op bij het groen en de huisjes;
toen begon het rechts daarvan gebroken ritmisch te ratelen en figuurtjes
vielen neer in het akkerland.
'Ach god nog aan toe!' krabde hij dichtbij, gevallen, aan zijn stoppels.
'De ruiterij is bij hen in het rivierdal…'
Tsjizjikov zag het: links op een kilometer afstand komen er een aantal
aangedraafd, uit het land komen ruiters toegestroomd, en in de breedte
uitgestrekt stevenen ze op hen af.
- De flank, jaag de flank achterna! zong zijn buurman wanhopig, hij schoot
overeind, porde Tsjizjikov op, en ze zetten het op een rennen en nog wel
achter de flank aan. Van links kwamen ze aangerend, ze gingen liggen in
een gebogen linie.
Ze vielen, hijgend.
Ze staken de lopen uit.
Een nerveuze schietpartij.
De aluinaarde doorploegend en geselend, het bewustzijn verstijvend met
een alles doordringend gejank, het snijvlak van de bajonetten in de greep
houdend bij het begin, scheurde de cavalerie zich door het slagveld.
'Schieten, godver!' zei zijn buurman met ontblote tanden en klikte met
de trekker van zijn geweer.
Net zoals hij deed, haalde Tsjizjikov ijverig met een stalen klik de trekker
over. Zijn ellebogen gaven gedwee mee met de terugslag.
"…waar de uitgang is, weet ik niet meer, ik kan hem niet vinden
- hoe moet dat nou…" - er schoot hem iets te binnen en het
verdween weer, omdat hij zijn blik richtte boven een paardenhoofd, bont
gevlekt, iets opzij zag hij de achterpoten, een kozak ging op de stijgbeugels
staan, een onzeker pluisje wipte op de groeiende kruising van de gordels
op zijn linnen hemd…
Hij schraapte zijn keel, sperde gespannen zijn betraande oog open, haalde
de trekker over en kneep onwillekeurig zijn ogen dicht bij de knal van
het schot.
Vertaald door: Carel Schouten
|