Michail Weller, "Goedkope genoegens" home



Kajoerov spaarde geld voor een auto. Die bezigheid vereist een zekere volharding en een sterk karakter. Kajoerov was volhardend en had een sterk karakter. Drie jaar geleden tekende hij een grafiekje en anderhalf jaar later brak het moment aan voor de aankoop van een Lada. Kajoerov vond paars met een parelmoeren tint de mooiste kleur. Parelmoeren tinten genieten de voorkeur in de autowereld. Kajoerov had al zekere contacten in de winkel gelegd.
Een automobilist, zo is bekend, moet niet verslaafd zijn aan sterke drank. Iemand die zich gezet heeft tot het aanschaffen van een auto aan te schaffen, moet al helemaal niet drinken; en daarom was Kajoerov op zijn werk niet zo geliefd en werd hij beschouwd als een krenterig en eigengereid heerschap. Dat raakte hem natuurlijk niet, maar soms werd het wel vervelend, aangezien hij, verplicht om met hen bij binnenkomst wodka te drinken, daarvan niet beter werd, toch?
De leiding had het goed met hem voor. Hij kreeg gewoonlijk winstgevend, maar ook lastig werk dat aandacht vereiste. Hij was precies, maakte geen fouten, was als een instrument op orde, leende niet uit en meed te geven: wie iets nodig heeft, staat dus niet met lege handen.
Het was alleen natuurlijk wel eens saai in zijn vrije tijd, in het bijzonder in het weekend. Kajoerov besloot later te trouwen, tegen een jaar of dertig, tweeëndertig zelfs: alvorens een gezin te stichten, was het ten eerste noodzakelijk een zekere materiële basis te creëren, ten tweede – wat zou je je haasten je een last op de hals te halen? Over het algemeen kon hij het met vrouwen niet zo goed vinden.
Vandaag werd hij om negen uur wakker – de meest toepasselijke tijd op zondag. De zon brandde op het open balkon, het rook naar gebladerte. Kajoerov lag nog een tijdje, las wat in de Sovjetski sport en sterde even naar de uitzending Goedemorgen. Het was een nogal waardeloze uitzending. Alleen de grapjes waren soms nog wel te pruimen. Daarna ging hij naar het toilet, poetste zijn tanden, nam een douche, schoor zich met een Berdsk-3M scheerapparaat en dacht wat na, weifelend over zijn besluit. Aan de ene kant wilde hij een biertje drinken. Aan de andere kant behoorde je ’s ochtends een kopje koffie te drinken. Des te meer bij de aanwezigheid van een koffiezetapparaat, terwijl je bij een kiosk allerlei zaken kunt tegenkomen*, waar hij misprijzend tegenover stond.
Daarom schoof hij het opklapbed terug in de lade van de bank, deed een olympisch trainingspak aan en begon te oefenen in de keuken. Hij zette het raam wijd open, deed een schort om tegen het spatten en terwijl het koffiezetapparaat fluisterende geluiden maakte, deed hij wat Belgische roomboter in een koekenpannetje en maakte een omelet van vier eieren.
Na het ontbijt verkleedde hij zich: een zandkleurig pak van kunstvezel, een roze hemd met een plaatje erop en zwarte lakschoenen. Het was een goede zondag en Kajoerov gaf tijdens het verstrijken ervan drie roebel uit (of eerder vier – zesentachtig kopeke hield hij over in zijn portemonnee).
Bij dit weer leek het verstandiger wat tijd in de frisse lucht door te brengen. Hij liep graag een paar haltes te voet, bekeek de kranten op het bord en rookte daarbij een sigaret. Het warenhuis was open – het was het eind van de maand. Hij beoordeelde de stoelhoezen op de autoafdeling; het was rommel, je moest ze in het atelier bestellen. Hij stapte in trolleybus 2 en reed naar Centrale Park.
Bij de ingang kocht hij een ijsje. In de lanen werd geflaneerd, hij sloot zich daarbij aan. Hij taxeerde meisjes gekleed in halfconventionele zomerjurken, inschattend wie zijn vrouw zou kunnen zijn en meer in algemene zin.
Het fijne silhouet van een reuzenrad boven de bomen leek van een grote afstand onbeweeglijk. Dichtbij verscheen de gigantische velg van een uit buizen vervaardigd fietswiel, de blauwe verf bladderde af; kleine bakjes zweefden met geknars omhoog. Bij het draaihekje stond een rij mensen te wachten, met het hoofd in de nek geworpen. Kajoerov kocht bij een hokje voor twintig kopeke een kaartje van een oud wijfje met gebroken bril en ging aan het einde van de rij staan.
Van boven was alles heel mooi te zien. Het park deed denken aan de afbeelding op een plattegrond. Een groen massief werd gesplitst door lanen, er blonk een meertje, daar kropen bootjes over, bij het paviljoen op de gele achtergrond van zand en het grijze asfalt staken de menigten bont af, en daarna (beweging naar beneden) kromp het blikveld ineen, terwijl het zich minder oorspronkelijk voordeed. Kajoerov ergerde zich er aan dat het zo snel ging, maar de dag was nog jong.
Enkele minuten gaapte hij de schommel aan. Er zaten voornamelijk kinderen op. Twee ventjes gingen in het bijzonder door het lint, en vlogen hoger dan een halve cirkel; Kajoerov dacht dat ze zo een looping zouden maken, maar daarna begreep hij dat de schommel een begrenzing had. Hij ging natuurlijk zelf niet op de schommel; hij was geen jongetje meer.
Het werd warmer. Het zou niet slecht zijn, zo stelde hij zich voor, om wat in een bootje te roeien. Het zou het meest passend zijn de spieren te strekken, en in het algemeen is dat een betrekkelijk solide bezigheid.
De vijver kon van ver worden herkend aan de aparte geur op een hete dag. De waterkant lichtte door het kroos als fluweel op. Op een houten aanlegsteiger had een jongeman, gekleed in spijkerbroek en zonder hemd, de leiding. Er waren boten beschikbaar. Eén roebel per uur. Maar je moest je paspoort als borg achterlaten, en dat had Kajoerov niet meegenomen. Hij had geen zin om zich op te dringen in andermans gezelschap… Hij rookte wat en aanschouwde de meer bedachtzame roeiers. Hij zei tegen de jongeman dat een paspoort als borg nemen en geven wettelijk verboden is.
Op de achtbaan denderden luid ratelend wagonnetjes op hoge snelheid over bochtige rails; gedempte kreten van meisjes; de rij volgde en stak de vingers op. Kajoerov ging met iedereen voorwaarts zonder zich te haasten. Er was niets om voor te haasten. Hij was echter lichtelijk geïrriteerd dat je op een zondag in rijen moest wachten.
De vele treden van een schuine trap leidden naar het bovenste overloopje. Twee jongetjes grepen de wagonnetjes beet die van beneden af over een lopende band aankwamen, plaatsten er achter elkaar passagiers in en brachten ze naar de helling. Daar zaten onder een zonnescherm een paar meisjes, - hun vrienden strekten zich natuurlijk uit in strandstoelen en dronken bier uit flesjes.
Kajoerov werd met een jongedame vooraan gezet. Het wagonnetje leek wat klein en wekte over het algemeen een onbetrouwbare indruk. Van boven werd de steilte van de helling duidelijk. Ze werden aangestoten en vlogen over de rails naar beneden in een bijna vrije val, door de acceleratie gingen ze omhoog en in de top hingen ze in de lucht. Hoewel Kajoerov begreep dat je er niet uit kon vliegen, leek je juist op dat moment er uit te vliegen als je ook maar even fluimde. Maar daar bulderden ze weer over de rails en stevenden af op het zwarte gat van een tunnel, die overigens lager leek dan het wagonnetje. De jongedame piepte en drukte zich tegen Kajoerovs rug aan. Hij had echter stalen zenuwen.
Na die achtbaan ging hij een poosje zitten en rookte wat.
Hij liep wat heen en weer achter de versperring rond de parachutetoren. De vastgemaakte parachute gleed langs een verticale kabel, een mannetje borgde en ving de gelande springers op - niet interessant. De benen van de “parachutisten” bungelden en belandden op een ondergestoft veldje… Enkele zeventienjarige waaghalzen, - hangjongeren, niet anders, - sprongen met hun rug naar voren van de balustrade, draaiden salto’s tussen de draagbanden, maar het zag er eerder branieachtig dan boosaardig uit, - al hun gewoontes waren zo, het rapalje.
Dichtbij in de ronde volière … achter het ijzeren gaas van een vliegtuigmodelbouwer joegen touwmodellen voort. Heldere vliegtuigjes draaiden vlug om een lijn onder het gegons van klinkend metaal. Het feit dat ze vastgebonden zaten, riep een zeker protest op. Men wilde voor hen een vrije vlucht, hoogte, laat ze vandaar maar naar beneden kukelen.
De tijd verstreek eigenlijk wel op een plezierige manier. Kajoerov slenterde nog wat over de lanen, zat even op een bankje, wierp blikken op de langslopende meisjes, maar toen daar een moedertje stond met een oudje en een kleintje in een kinderwagen, en begon hij zich te schamen dat hij dichtbij dat kindje rookte. Hij kwam met weldoordachte tegenwerpingen naar voren, dat hij als eerste was gaan zitten, en dat het hier geen speeltuin is. Ze kwamen van hun plaats, ze hadden begrepen dat waar je ging zitten, je ook bleef hangen, maar toch was zijn stemming al niet zo best meer en stond hij maar op.
Hij ging een cafetaria binnen – wat eten zou geen kwaad kunnen. De rij stond er waarschijnlijk al voor het avondeten. Een bedompte ruimte. Maar hij had geluk: vlakbij begonnen ze bier en boterhammen uit te delen. Hij nam twee flessen Admiraliteitsbier en vier boterhammen met worst, hij at ze op, stak bij de tweede fles een sigaret op en zijn stemming kwam weer op peil. Nee, het was een volwaardige verpozing.
Na wat gegeten te hebben besloot Kajoerov de lachkamer te bezoeken. In de lachkamer verveelde hij zich. Nou, scheve spiegels. Dik – dun, wat een vreugd… Kom en kijk eens naar jezelf op straat in een verchroomde wieldop – en je hebt hetzelfde effect.
De klok wees tien over half vier aan. Er kon nog even gebabbeld worden. Om zes uur ging hij naar de bioscoop – bij hem in de buurt draaide De wereld aan het eind van de tunnel, een spannende detective, die had hij speciaal voor zondag overgelaten. Daarna thuis televisie kijken, Joegoslavisch basketbal. Nee, het was een goede dag; morgen kun je weer fris naar het werk, en je ogen zullen door de kater niet scheef staan, zoals bij sommigen.
Hij had nog één roebel en drieënzestig kopeke over. Vijftig kopeke voor de film, 10 kopeke voor het vervoer, één roebel over. Even schattend bestemde Kajoerov die voor de speelautomaten.
Twintig kopeke namen ze af voor de toegang. In totaal beschikte hij over vijf munten van vijftien.
In het paviljoen reageerden elektronische schoten en ontploffingen als een stereo echo. Kajoerov aanschouwde vanachter de ruggen de beeldschermen wat gegeneerd, waar wilde beesten in de jungle sprongen, schietschijven zich wentelden, raceauto’s snelheid wonnen en tegen elkaar opbotsten in plotselinge felle bochten. Hij werd door twee automaten aangetrokken: Onderzeeboot en Luchtgevecht.
Als eerste ging hij achter de onderzeeboot zitten. Een periscoop met twee handvaten, een vizier en een voorraad van tien torpedo’s. Silhouetten van schepen bewogen van links naar rechts en terug, en verdwenen achter de rotsen. De eerste twee torpedo’s raasden met pulserende vlekjes weg door het grijze water. Met de derde was het raak: er lichtte een gloed in het duister op en een ontploffing dreunde. Hij rechtte zijn rug en van achteren werd hem voorgezegd: breng het vizier eerst in een hoek, wacht op het schip en bepaal het moment van samenkomst. Met de overgebleven zeven torpedo’s maakte Kajoerov nog vijf treffers. Nogal eenvoudig. Vermakelijk: in wezen een spelletje voor kinderen, – en daar ga jij, het geeft genoegdoening.
Hij maakte kennis met het luchtgevecht. Daar drong hij met onmetelijke snelheid in de atmosfeer door, liet een raketgeronk achter zich, er ging een drietal jachtbommenwerpers achter hem aan, die van vleugel tot vleugel in het rechthoekige zicht slingerden.
Kajoerov stopte een munt in de spleet. Het scherm floepte aan. De ruimte ging deinsde terug. De vliegtuigen gingen weg, terwijl ze afstand bewaarden. Hij pakte de knuppel beet en ving de piloot in het vizier. Het panorama begon te verschuiven, de piloot kwam daardoor in het kruispunt van het vizier terecht. Kajoerov drukte met zijn middelvinger de rode knop in, het spoor lichtte meer naar links op, hij was te laat, nam de waarschuwing niet in acht, het vizier stond al niet juist meer. Voorzichtigjes bracht hij de knuppel naar rechts… silhouetten dreven ietwat schuin in het zicht… hij greep naar het vizier, drukte nogmaals de knop in, nu al iets eerder, plantte hem in de vurige punt, direct op de straalpijp, het vliegtuig smeerde zich voor het zicht uit als een brandende felle bol die fladderende brokstukken uitstootte, de opgezwollen flonkering belemmerde het zicht, het was beneden even zichtbaar, toen Kajoerov de knuppel vastpakte, de lijn van de horizon van voren zakte naar beneden, hij nam hem te hoog, de twee andere vliegtuigen waren niet meer te zien, hij draaide zijn hoofd rond, om te proberen hen in de ruimte waar te nemen, hij rommelde wat met de knuppel, helemaal niks, en toen schoot iets als een bliksemsnelle stippellijn van links en van boven, een seconde later ging het volgende spoor vlak onder de rechterflank, hij trok de knuppel instinctief van links naar zich toe, en een derde vuurstoot ging langs hem heen, direct onder zijn buik, hij keek op, twee belagers hielden zich van achteren buiten het schootsveld, ze gingen op zijn staart zitten, hij likte het zweet van zijn bovenlip, zijn machine ging temidden van hun sporen, op volle snelheid, hij minderde abrupt gas en draaide de kist met verlies van hoogte, ze snelden over hem heen, hij joeg de machine in een steile duikvlucht en veranderde de richting in een spiraal, maar daar kwamen ze weer achter hem aan, ze vuurden op hem, gloeiend metaal scheurde zijn romp aan flarden, de tanks ontploften, hij werd versnipperd in een oplichtende streep in de zwarte luchtledige hoogte, en alles was afgelopen, de motor ratelde, de knuppel verloor zijn buigzaamheid, het zweet was verblindend, geen ontsnapping mogelijk, ze hadden hem om zeep geholpen, hij probeerde met een militaire draaiing recht op de achtervolgers af te stevenen, zijn hartslag verbrijzelde zijn slapen, zij hakten hem doormidden in het horizontale vlak, een spoor van kogels hakte de rechterflank af, de horizon begon chaotisch te buitelen, de aarde klapte ondersteboven, hij werd door het einde van de aarde opgenomen, maar de sterren schenen helder en dreven direct naar opzij, maar hij probeerde om te buigen van de naderende sporen, hij wilde in wanhoop zijn schietstoel activeren, maar die werkte niet meer, het vliegpak verstikte hem, ze bleven aan zijn staart hangen met een dodelijke greep, hij liet zich gaan in een vrije val, geraakt als hij was, maar ze schoten hem helemaal neer, de een na de ander, als op een schietbaan, een lamp ontbrandde, brokstukken doorkliefden zijn pak, zijn bloedvaten sprongen als bij een diepzeevis, de aarde kwam van onder naar boven zetten en greep hem met een zachte alles vergevende kus. En alles doofde uit.
Het scherm ontbrandde: Game over.
Kajoerov stond met moeite op en greep naar de knuppel. Hij spreidde zijn aan elkaar klevende vingers uiteen en stapte achteruit om te trachten zijn evenwicht te bewaren. Hij draaide om en bleef nog even staan. Toen hij bij de uitgang kwam, zag hij buiten een bankje en ging er op zitten.
Hij zat en rookte.
Er woei een verfrissend windje.
Uit het paviljoen verscheen een meisje, keek levendig om zich heen en hield een portemonnee in haar hand.
‘Neem me niet kwalijk, heeft u toevallig niet een munt van vijftien kopeke?’ vroeg ze hem en verduidelijkte: ‘Anders zou de caissière die ergens moeten halen…’
Ze knipperde, wachtte, terwijl ze in allerijl een beleefd glimlachje gaf.
‘Ga jij maar even lekker weg…’ zei Kajoerov.

 


Vertaald door: Carel Schouten


Laatst gewijzigd: 27.05.04