Kajoerov spaarde geld voor een auto. Die bezigheid
vereist een zekere volharding en een sterk karakter. Kajoerov was volhardend
en had een sterk karakter. Drie jaar geleden tekende hij een grafiekje
en anderhalf jaar later brak het moment aan voor de aankoop van een Lada.
Kajoerov vond paars met een parelmoeren tint de mooiste kleur. Parelmoeren
tinten genieten de voorkeur in de autowereld. Kajoerov had al zekere contacten
in de winkel gelegd.
Een automobilist, zo is bekend, moet niet verslaafd zijn aan sterke drank.
Iemand die zich gezet heeft tot het aanschaffen van een auto aan te schaffen,
moet al helemaal niet drinken; en daarom was Kajoerov op zijn werk niet
zo geliefd en werd hij beschouwd als een krenterig en eigengereid heerschap.
Dat raakte hem natuurlijk niet, maar soms werd het wel vervelend, aangezien
hij, verplicht om met hen bij binnenkomst wodka te drinken, daarvan niet
beter werd, toch?
De leiding had het goed met hem voor. Hij kreeg gewoonlijk winstgevend,
maar ook lastig werk dat aandacht vereiste. Hij was precies, maakte geen
fouten, was als een instrument op orde, leende niet uit en meed te geven:
wie iets nodig heeft, staat dus niet met lege handen.
Het was alleen natuurlijk wel eens saai in zijn vrije tijd, in het bijzonder
in het weekend. Kajoerov besloot later te trouwen, tegen een jaar of dertig,
tweeëndertig zelfs: alvorens een gezin te stichten, was het ten eerste
noodzakelijk een zekere materiële basis te creëren, ten tweede
– wat zou je je haasten je een last op de hals te halen? Over het
algemeen kon hij het met vrouwen niet zo goed vinden.
Vandaag werd hij om negen uur wakker – de meest toepasselijke tijd
op zondag. De zon brandde op het open balkon, het rook naar gebladerte.
Kajoerov lag nog een tijdje, las wat in de Sovjetski sport en sterde even
naar de uitzending Goedemorgen. Het was een nogal waardeloze uitzending.
Alleen de grapjes waren soms nog wel te pruimen. Daarna ging hij naar
het toilet, poetste zijn tanden, nam een douche, schoor zich met een Berdsk-3M
scheerapparaat en dacht wat na, weifelend over zijn besluit. Aan de ene
kant wilde hij een biertje drinken. Aan de andere kant behoorde je ’s
ochtends een kopje koffie te drinken. Des te meer bij de aanwezigheid
van een koffiezetapparaat, terwijl je bij een kiosk allerlei zaken kunt
tegenkomen*, waar hij misprijzend tegenover stond.
Daarom schoof hij het opklapbed terug in de lade van de bank, deed een
olympisch trainingspak aan en begon te oefenen in de keuken. Hij zette
het raam wijd open, deed een schort om tegen het spatten en terwijl het
koffiezetapparaat fluisterende geluiden maakte, deed hij wat Belgische
roomboter in een koekenpannetje en maakte een omelet van vier eieren.
Na het ontbijt verkleedde hij zich: een zandkleurig pak van kunstvezel,
een roze hemd met een plaatje erop en zwarte lakschoenen. Het was een
goede zondag en Kajoerov gaf tijdens het verstrijken ervan drie roebel
uit (of eerder vier – zesentachtig kopeke hield hij over in zijn
portemonnee).
Bij dit weer leek het verstandiger wat tijd in de frisse lucht door te
brengen. Hij liep graag een paar haltes te voet, bekeek de kranten op
het bord en rookte daarbij een sigaret. Het warenhuis was open –
het was het eind van de maand. Hij beoordeelde de stoelhoezen op de autoafdeling;
het was rommel, je moest ze in het atelier bestellen. Hij stapte in trolleybus
2 en reed naar Centrale Park.
Bij de ingang kocht hij een ijsje. In de lanen werd geflaneerd, hij sloot
zich daarbij aan. Hij taxeerde meisjes gekleed in halfconventionele zomerjurken,
inschattend wie zijn vrouw zou kunnen zijn en meer in algemene zin.
Het fijne silhouet van een reuzenrad boven de bomen leek van een grote
afstand onbeweeglijk. Dichtbij verscheen de gigantische velg van een uit
buizen vervaardigd fietswiel, de blauwe verf bladderde af; kleine bakjes
zweefden met geknars omhoog. Bij het draaihekje stond een rij mensen te
wachten, met het hoofd in de nek geworpen. Kajoerov kocht bij een hokje
voor twintig kopeke een kaartje van een oud wijfje met gebroken bril en
ging aan het einde van de rij staan.
Van boven was alles heel mooi te zien. Het park deed denken aan de afbeelding
op een plattegrond. Een groen massief werd gesplitst door lanen, er blonk
een meertje, daar kropen bootjes over, bij het paviljoen op de gele achtergrond
van zand en het grijze asfalt staken de menigten bont af, en daarna (beweging
naar beneden) kromp het blikveld ineen, terwijl het zich minder oorspronkelijk
voordeed. Kajoerov ergerde zich er aan dat het zo snel ging, maar de dag
was nog jong.
Enkele minuten gaapte hij de schommel aan. Er zaten voornamelijk kinderen
op. Twee ventjes gingen in het bijzonder door het lint, en vlogen hoger
dan een halve cirkel; Kajoerov dacht dat ze zo een looping zouden maken,
maar daarna begreep hij dat de schommel een begrenzing had. Hij ging natuurlijk
zelf niet op de schommel; hij was geen jongetje meer.
Het werd warmer. Het zou niet slecht zijn, zo stelde hij zich voor, om
wat in een bootje te roeien. Het zou het meest passend zijn de spieren
te strekken, en in het algemeen is dat een betrekkelijk solide bezigheid.
De vijver kon van ver worden herkend aan de aparte geur op een hete dag.
De waterkant lichtte door het kroos als fluweel op. Op een houten aanlegsteiger
had een jongeman, gekleed in spijkerbroek en zonder hemd, de leiding.
Er waren boten beschikbaar. Eén roebel per uur. Maar je moest je
paspoort als borg achterlaten, en dat had Kajoerov niet meegenomen. Hij
had geen zin om zich op te dringen in andermans gezelschap… Hij
rookte wat en aanschouwde de meer bedachtzame roeiers. Hij zei tegen de
jongeman dat een paspoort als borg nemen en geven wettelijk verboden is.
Op de achtbaan denderden luid ratelend wagonnetjes op hoge snelheid over
bochtige rails; gedempte kreten van meisjes; de rij volgde en stak de
vingers op. Kajoerov ging met iedereen voorwaarts zonder zich te haasten.
Er was niets om voor te haasten. Hij was echter lichtelijk geïrriteerd
dat je op een zondag in rijen moest wachten.
De vele treden van een schuine trap leidden naar het bovenste overloopje.
Twee jongetjes grepen de wagonnetjes beet die van beneden af over een
lopende band aankwamen, plaatsten er achter elkaar passagiers in en brachten
ze naar de helling. Daar zaten onder een zonnescherm een paar meisjes,
- hun vrienden strekten zich natuurlijk uit in strandstoelen en dronken
bier uit flesjes.
Kajoerov werd met een jongedame vooraan gezet. Het wagonnetje leek wat
klein en wekte over het algemeen een onbetrouwbare indruk. Van boven werd
de steilte van de helling duidelijk. Ze werden aangestoten en vlogen over
de rails naar beneden in een bijna vrije val, door de acceleratie gingen
ze omhoog en in de top hingen ze in de lucht. Hoewel Kajoerov begreep
dat je er niet uit kon vliegen, leek je juist op dat moment er uit te
vliegen als je ook maar even fluimde. Maar daar bulderden ze weer over
de rails en stevenden af op het zwarte gat van een tunnel, die overigens
lager leek dan het wagonnetje. De jongedame piepte en drukte zich tegen
Kajoerovs rug aan. Hij had echter stalen zenuwen.
Na die achtbaan ging hij een poosje zitten en rookte wat.
Hij liep wat heen en weer achter de versperring rond de parachutetoren.
De vastgemaakte parachute gleed langs een verticale kabel, een mannetje
borgde en ving de gelande springers op - niet interessant. De benen van
de “parachutisten” bungelden en belandden op een ondergestoft
veldje… Enkele zeventienjarige waaghalzen, - hangjongeren, niet
anders, - sprongen met hun rug naar voren van de balustrade, draaiden
salto’s tussen de draagbanden, maar het zag er eerder branieachtig
dan boosaardig uit, - al hun gewoontes waren zo, het rapalje.
Dichtbij in de ronde volière … achter het ijzeren gaas van
een vliegtuigmodelbouwer joegen touwmodellen voort. Heldere vliegtuigjes
draaiden vlug om een lijn onder het gegons van klinkend metaal. Het feit
dat ze vastgebonden zaten, riep een zeker protest op. Men wilde voor hen
een vrije vlucht, hoogte, laat ze vandaar maar naar beneden kukelen.
De tijd verstreek eigenlijk wel op een plezierige manier. Kajoerov slenterde
nog wat over de lanen, zat even op een bankje, wierp blikken op de langslopende
meisjes, maar toen daar een moedertje stond met een oudje en een kleintje
in een kinderwagen, en begon hij zich te schamen dat hij dichtbij dat
kindje rookte. Hij kwam met weldoordachte tegenwerpingen naar voren, dat
hij als eerste was gaan zitten, en dat het hier geen speeltuin is. Ze
kwamen van hun plaats, ze hadden begrepen dat waar je ging zitten, je
ook bleef hangen, maar toch was zijn stemming al niet zo best meer en
stond hij maar op.
Hij ging een cafetaria binnen – wat eten zou geen kwaad kunnen.
De rij stond er waarschijnlijk al voor het avondeten. Een bedompte ruimte.
Maar hij had geluk: vlakbij begonnen ze bier en boterhammen uit te delen.
Hij nam twee flessen Admiraliteitsbier en vier boterhammen met worst,
hij at ze op, stak bij de tweede fles een sigaret op en zijn stemming
kwam weer op peil. Nee, het was een volwaardige verpozing.
Na wat gegeten te hebben besloot Kajoerov de lachkamer te bezoeken. In
de lachkamer verveelde hij zich. Nou, scheve spiegels. Dik – dun,
wat een vreugd… Kom en kijk eens naar jezelf op straat in een verchroomde
wieldop – en je hebt hetzelfde effect.
De klok wees tien over half vier aan. Er kon nog even gebabbeld worden.
Om zes uur ging hij naar de bioscoop – bij hem in de buurt draaide
De wereld aan het eind van de tunnel, een spannende detective, die had
hij speciaal voor zondag overgelaten. Daarna thuis televisie kijken, Joegoslavisch
basketbal. Nee, het was een goede dag; morgen kun je weer fris naar het
werk, en je ogen zullen door de kater niet scheef staan, zoals bij sommigen.
Hij had nog één roebel en drieënzestig kopeke over.
Vijftig kopeke voor de film, 10 kopeke voor het vervoer, één
roebel over. Even schattend bestemde Kajoerov die voor de speelautomaten.
Twintig kopeke namen ze af voor de toegang. In totaal beschikte hij over
vijf munten van vijftien.
In het paviljoen reageerden elektronische schoten en ontploffingen als
een stereo echo. Kajoerov aanschouwde vanachter de ruggen de beeldschermen
wat gegeneerd, waar wilde beesten in de jungle sprongen, schietschijven
zich wentelden, raceauto’s snelheid wonnen en tegen elkaar opbotsten
in plotselinge felle bochten. Hij werd door twee automaten aangetrokken:
Onderzeeboot en Luchtgevecht.
Als eerste ging hij achter de onderzeeboot zitten. Een periscoop met twee
handvaten, een vizier en een voorraad van tien torpedo’s. Silhouetten
van schepen bewogen van links naar rechts en terug, en verdwenen achter
de rotsen. De eerste twee torpedo’s raasden met pulserende vlekjes
weg door het grijze water. Met de derde was het raak: er lichtte een gloed
in het duister op en een ontploffing dreunde. Hij rechtte zijn rug en
van achteren werd hem voorgezegd: breng het vizier eerst in een hoek,
wacht op het schip en bepaal het moment van samenkomst. Met de overgebleven
zeven torpedo’s maakte Kajoerov nog vijf treffers. Nogal eenvoudig.
Vermakelijk: in wezen een spelletje voor kinderen, – en daar ga
jij, het geeft genoegdoening.
Hij maakte kennis met het luchtgevecht. Daar drong hij met onmetelijke
snelheid in de atmosfeer door, liet een raketgeronk achter zich, er ging
een drietal jachtbommenwerpers achter hem aan, die van vleugel tot vleugel
in het rechthoekige zicht slingerden.
Kajoerov stopte een munt in de spleet. Het scherm floepte aan. De ruimte
ging deinsde terug. De vliegtuigen gingen weg, terwijl ze afstand bewaarden.
Hij pakte de knuppel beet en ving de piloot in het vizier. Het panorama
begon te verschuiven, de piloot kwam daardoor in het kruispunt van het
vizier terecht. Kajoerov drukte met zijn middelvinger de rode knop in,
het spoor lichtte meer naar links op, hij was te laat, nam de waarschuwing
niet in acht, het vizier stond al niet juist meer. Voorzichtigjes bracht
hij de knuppel naar rechts… silhouetten dreven ietwat schuin in
het zicht… hij greep naar het vizier, drukte nogmaals de knop in,
nu al iets eerder, plantte hem in de vurige punt, direct op de straalpijp,
het vliegtuig smeerde zich voor het zicht uit als een brandende felle
bol die fladderende brokstukken uitstootte, de opgezwollen flonkering
belemmerde het zicht, het was beneden even zichtbaar, toen Kajoerov de
knuppel vastpakte, de lijn van de horizon van voren zakte naar beneden,
hij nam hem te hoog, de twee andere vliegtuigen waren niet meer te zien,
hij draaide zijn hoofd rond, om te proberen hen in de ruimte waar te nemen,
hij rommelde wat met de knuppel, helemaal niks, en toen schoot iets als
een bliksemsnelle stippellijn van links en van boven, een seconde later
ging het volgende spoor vlak onder de rechterflank, hij trok de knuppel
instinctief van links naar zich toe, en een derde vuurstoot ging langs
hem heen, direct onder zijn buik, hij keek op, twee belagers hielden zich
van achteren buiten het schootsveld, ze gingen op zijn staart zitten,
hij likte het zweet van zijn bovenlip, zijn machine ging temidden van
hun sporen, op volle snelheid, hij minderde abrupt gas en draaide de kist
met verlies van hoogte, ze snelden over hem heen, hij joeg de machine
in een steile duikvlucht en veranderde de richting in een spiraal, maar
daar kwamen ze weer achter hem aan, ze vuurden op hem, gloeiend metaal
scheurde zijn romp aan flarden, de tanks ontploften, hij werd versnipperd
in een oplichtende streep in de zwarte luchtledige hoogte, en alles was
afgelopen, de motor ratelde, de knuppel verloor zijn buigzaamheid, het
zweet was verblindend, geen ontsnapping mogelijk, ze hadden hem om zeep
geholpen, hij probeerde met een militaire draaiing recht op de achtervolgers
af te stevenen, zijn hartslag verbrijzelde zijn slapen, zij hakten hem
doormidden in het horizontale vlak, een spoor van kogels hakte de rechterflank
af, de horizon begon chaotisch te buitelen, de aarde klapte ondersteboven,
hij werd door het einde van de aarde opgenomen, maar de sterren schenen
helder en dreven direct naar opzij, maar hij probeerde om te buigen van
de naderende sporen, hij wilde in wanhoop zijn schietstoel activeren,
maar die werkte niet meer, het vliegpak verstikte hem, ze bleven aan zijn
staart hangen met een dodelijke greep, hij liet zich gaan in een vrije
val, geraakt als hij was, maar ze schoten hem helemaal neer, de een na
de ander, als op een schietbaan, een lamp ontbrandde, brokstukken doorkliefden
zijn pak, zijn bloedvaten sprongen als bij een diepzeevis, de aarde kwam
van onder naar boven zetten en greep hem met een zachte alles vergevende
kus. En alles doofde uit.
Het scherm ontbrandde: Game over.
Kajoerov stond met moeite op en greep naar de knuppel. Hij spreidde zijn
aan elkaar klevende vingers uiteen en stapte achteruit om te trachten
zijn evenwicht te bewaren. Hij draaide om en bleef nog even staan. Toen
hij bij de uitgang kwam, zag hij buiten een bankje en ging er op zitten.
Hij zat en rookte.
Er woei een verfrissend windje.
Uit het paviljoen verscheen een meisje, keek levendig om zich heen en
hield een portemonnee in haar hand.
‘Neem me niet kwalijk, heeft u toevallig niet een munt van vijftien
kopeke?’ vroeg ze hem en verduidelijkte: ‘Anders zou de caissière
die ergens moeten halen…’
Ze knipperde, wachtte, terwijl ze in allerijl een beleefd glimlachje gaf.
‘Ga jij maar even lekker weg…’ zei Kajoerov.
Vertaald door: Carel Schouten
|