Michail Weller, "De test" home



Op een augustus, een maand voor het begin van de lessen op school, werd Genka door zijn moeder naar het Instituut voor Beroepskeuze gebracht. Genka was niet bang en maakte zich geen zorgen, zoals de anderen. Hij had niets om zich zorgen over te maken. Hij wist dat hij zeeman zou worden. Zijn kamer had hij volgestopt met modellen van zeilschepen en lijnboten. Hij was zelfs op de hoogte van de ietwat ouderwetse vlaggentekens en de morsetaal. En hij kon zich met een kompas oriënteren.
En daar had je Garka. Garka, ja, die wond zich op. Hij trippelde dichtbij zijn moeder, zweette en zag bleek. Gisteren had hij Genka gesmeekt of hij na hem de test kon afnemen. Hij aapte alles van Genka na. Hij maakte de modellen na, en hij bedelde een matrozenblouse voor zichzelf af, nadat Genka als eerste de binnenplaats was opgelopen met een blouse aan. Hij wilde ook zeeman worden. Hij had geen medelijden met Genka. Alsjeblieft zeg. De zee is groot genoeg voor iedereen. Zo zelfs: Als Genka kapitein wilde worden, dan nam hij Garka als hulpje met zich mee op het schip.
Vanaf de zonnige weg liepen ze de koude vestibule van de polikliniek in. Moeder haalde een nummertje voor Genka om tien over half elf. Het nummertje voor Garka was om tien voor elf.
In de rij wachtten en smachtten nog een man of vijf. Drie meisjes zaten voornaam en waardig; meisjes… wat viel er bij hen te halen, eerst hebben ze poppen, daarna kinderen – dat is hun hele belangstelling. Een paar jochies maakten zachtjes ruzie, opgewonden en onzeker als ze waren.
Het Instituut voor Beroepskeuze is niet zomaar iets, dat had iedereen wel door.
Genka was aan de beurt. Hij stapte met zijn moeder de witte deur in.
‘Houd je ondergoed aan’, zei de verpleegster. ‘En u’, tegen moeder, ‘wacht u hier met de kleding.’
Genka ging alleen het kabinet binnen. De dokter bleek helemaal niet zoals gedacht; hij was niet oud en had geen bril op, maar hij was jong en zonder bril. Vanonder de doktersjas stak een nauwe spijkerbroek.
‘Ga zitten, adelaar!’ zei hij en leidde Genka naar een hoge stoel. ‘Stil blijven zitten’, zei hij en knipte de schakelaars aan van een enorme, de hele muur bedekkende machine met lichtjes en schermpjes. Hij haalde van de stellages een gedrukt pakje kaartjes en legde die op een apparaat. ‘Maak je niet ongerust’, zei hij vrolijk en geruststellend, anders zou je kunnen denken dat Genka zich ongerust had gemaakt.. ‘hm’. Op het hoofd van Genka deed de dokter een soort kroon, aan elke tand stak een heel dun draadje achter zijn stoel. Vergelijkbare dingen plaatste de dokter snel op zijn linkerhand en rechterbeen. Ook plakte iets van een speen op de borst. ‘Zo. Adem in. Adem uit. Ontspan je. Ga rustig zitten en probeer nergens aan te denken. Alsof je slaapt…’ zei hij en draaide aan een groen hendeltje. De machine begon zachtjes te zoemen… ‘Dat is alles’ verklaarde de dokter en haalde de toestellen van Genka af.
‘Dokter, ben ik een zeeman?’ vroeg Genka zelfverzekerd om helemaal gerustgesteld te zijn.
‘Wacht even…’ De dokter opende het apparaat, haalde er de kaartjes uit, drukte op een knopje, en de machine wierp een geponst kaartje uit in een korfje. ‘Wil jij zeeman worden, jongeman?’
‘Dat spreekt voor zich’, zei Genka toegeeflijk.
‘Oho! Honderdtweeënnegentig!’ De dokter trof Genka met een lange aandachtige blik. ‘Honderdtweeënnegentig! Gefeliciteerd, jongeman.’
‘Word ik admiraal?!’ zei Genka en sprong op.
Na een pauze antwoordde de dokter zacht:
‘Waarom nu juist admiraal?’
Of het nu kwam door de intonatie van zijn stem, of nog door iets anders vreemds, het werd Genka plotseling troebel voor de ogen.
‘Wat… daar…?’ sprak hij, worstelend met een aanval van misselijkheid.
De dokter was verzekerd, vrolijk, welwillend:
‘Een schitterend, zeldzaam beroep. Steensnijder! Vind je dat niet leuk?’
‘Wat is dat nou?’ bracht Genka fluisterend uit, terwijl hij op zijn benen ging staan tussen de in duigen gevallen brokstukken van zijn wereld, en hij schudde zijn hoofd, ‘wat nou voor snijder!?’
De verpleegster kwam aanlopen en legde een goedaardige handpalm op zijn voorhoofd en bracht iets naar het gezicht. Door de bijtende geur sneed het van binnen en er kwamen tranen naar buiten, maar het ging dadelijk weer over, en het werd weer bijna normaal.
‘Je bent wel een zenuwachtig mannetje’, zei de verpleegster lief en streek hem over zijn bolletje.
‘Een zeldzaam en schitterend beroep’, herhaalde de dokter overtuigd en gewichtig. ‘En je hebt er een enorme aanleg voor. Het is me wel een ochtendje, nietwaar?’ zei hij tegen de verpleegster. ‘Om negen uur was dat jochie er… Sjarapanjoek geheten… een steensnijder, honderdtachtig. Nu is die waarschijnlijk honderdnegentig, nietwaar?’
‘En ook snijder?’ de verpleegkundige keek op een bijzondere manier naar Genka en zuchtte. ‘Wat een talent…’
‘Kijk toch eens naar zijn neergeslagen houding.’ De dokter kwaakte zelfs. ‘En hij zal begrijpen hoe alles zit, hij zal zijn neus nog in de wind steken, zich verheffen. Je zult nog beroemd worden, knulletje.’
‘Ik wil niet beroemd worden’, zei Genka bitter. ‘Ik ben toch zeeman…’
Moeder had meteen alles door, toen Genka terug de wachtkamer inging. Ze nam het beroepsformulier inn handen. Haar gezicht klaarde op. Opgewonden kuste ze Genka ergens tussen zijn neus en oog en ging zelf zijn hemd aandoen, alsof hij klein was.
‘Schitterend, zoonlief’, zei ze. ‘Fantastisch! We gaan meteen naar de kunstacademie.’
‘Ik ga naar de zeevaartschool’, antwoordde Genka onverzoenlijk.
Moeder beet op haar lippen.
‘Goed’, zei ze. ‘Laten we nu naar huis gaan. Laat pappa maar komen, dan komen we er samen wel uit’
Genka zat nors op de binnenplaats onder de oude struik van een acacia, toen Garka hem daar opzocht. Garka glom zelfvoldaan.
‘Ze hebben de formaliteiten geregeld voor de zeevaartschool’, pronkte hij. ‘Waarom heb je me niet opgewacht zoals we afgesproken hadden? Je moeder zei dat je nu naar de kunstacademie gaat… Ik geloofde dat natuurlijk niet’, vermeldde hij vertrouwelijk. ‘Wat is jouw niveau? Dat van mij is eenennegentig! Bijna honderd! En wat is het jouwe? Honderdeen?’
‘Duizend’, zei Genka, stond op en liep weg met zijn ogen afzijdig.
De huiselijke beraadslaging pakte niet al te best uit. Vader drong aan:
‘Je hebt alle capaciteiten voor een zeldzaam en voortreffelijk beroep. Duizenden jongelui zouden dolgelukkig zijn in jouw positie. Luister naar moeder en mij, zoonlief. Hoewel je volwassen bent, begrijp je nog niet alles… In je vrije tijd kun je een kotter kopen en varen waarheen je maar wilt.’
‘Kon de dokter zich niet vergist hebben?’ vroeg Genka zonder enige hoop.
‘Wat…?’
‘Nou… Misschien was zijn machine kapot…’
Vader streek door zijn haren…
‘Ik ga naar de zeevaartschool’, zei Genka en begon te huilen.
De maand verliep vreselijk. De verrader Garka pestte hem op de binnenplaats en pochte met zijn blauwe uniform. Genka antwoordde op niemands vragen (iedereen, zo leek het hem, denkt alleen aan zijn ongeluk en smaad). Hij weigerde in het geheel naar buiten te gaan om te wandelen. Moeder en vader keken elkaar aan.
Dertig augustus zei moeder:
‘Gena. Je bent al groot. Overmorgen moet je naar school. Jij bent een steensnijder. Snap je? Wat je ook mag worden, je bent en blijft een steensnijder. Naar een zeevaartschool gaan is, nou… als een vogel die gaat leren een vis te zijn.’
‘Meeuwen zwemmen…’ zei Genka.
‘En bovendien wordt allereerst alles aan jongelui met beroepskaart verleend, snap je?’
‘Ja hoor’, zei hij koppig.
De volgende dag brachten moeder en hij zijn documenten naar de zeevaartschool.
De vervanger van de directeur nam zijn beroepskaart ter hand, keek Genka met enige verbazing strak aan, daarna moeder, daarna weer naar de kaart en schudde het hoofd.
‘Als ik u was’, ried hij aan, ‘zou ik hem zonder enige twijfel naar de kunstacademie sturen.’
Moeder zakte onhandig ineen en sloeg haar handen in de lucht:
‘Hij wil… Droomde… Hij moet ook leven.’
‘Als hij ouder wordt zal hij het wel begrijpen. Hij zal er dankbaar om zijn.’
‘Dat zal ik niet’, verzekerde Genka droefgeestig. Hij wachtte, door wanhoop geplaagd.
‘Welaan’, zei de vervanger van de directeur en kuchte. ‘We nemen je natuurlijk aan. Karakter heb je, dat is al heel wat. Maar je zult het moeilijk krijgen, houd daar rekening mee, jonge vriend. Heel moeilijk.’
‘Dat zij dan zo’, zei Genka met onverwacht slapper wordende stem en voor het eerst deze maand haalde hij gelukkig adem. ‘Zeelieden hebben het altijd moeilijk!’
Na een week begreep Genka wat beroepskeuze is. Garka liep al lang op de binnenplaats, terwijl hij nog zijn huiswerk aan het maken was. De klas had al drie opgaven af, terwijl hij nog op de eerste ploeterde. Iedereen had zich het nieuwe materiaal al eigengemaakt, terwijl hij nog met het oude bezig was en vragen stelde. Het eerste halfjaar voltooide hij als laatste van zijn klas.
‘Wil je niet overgaan naar de kunstacademie, zoonlief?’ vroeg zijn moeder bedroefd. ‘Ze zullen je daar altijd aannemen. Denk er maar over na!’
‘Nee!’ gooide Genka eruit en zijn wenkbrauwen bewogen van woede. ‘Nee!’
Hij ging als laatste over naar de derde klas. In de derde klas rukte hij in de tabel van studievorderingen twee regels op naar boven.
‘Zo standhouden’, zei de vervanger van de directeur, terwijl hij hem in de gang tegenkwam. ‘Dat waardeer ik!’
In de zesde klas werd Genka een bezienswaardigheid. Hij werd opgenomen in een commando, dat gestuurd was naar de olympiade van zeevaartscholen. Het commando behaalde de derde plaats. Genka was de enige deelnemer van de olympiade zonder bijpassende beroepskeuze. Garka was niet in het commando opgenomen.
Het bewustzijn van de noodzaak meer te doen, dan van anderen geëist wordt, meer dan de anderen doen, raakte ingeworteld in hem en werd de norm. Hij wende zich aan de hele avond met studiemateriaal bezig te zijn, om op de volgende les datgene te weten waarvoor volgens het programma, samengesteld met rekenschap van beroepskeuze, één lesboek toereikend was.
Genka eindigde de zeevaartschool als tiende wat studievorderingen betreft. Dat bleek heel erg noodzakelijk. Aangezien hij bij het eerste tiental behoorde, verkreeg hij het recht op toetreding tot de Hoge Zeevaartinrichting zonder examens.
Bij de medische commissie doorliep hij een onderzoek voor beroepskeuze. “Steensnijder. Honderdeeneentachtig”, - volgde de niet aan appèl onderworpen zijnde conclusie. De commissie staarde Genka onbegrijpend en vragend aan.
‘Ja’, zei Genka. ‘Nou goed. Ik ben zeeman.’
De commissie bladerde zijn karakteristieken door.
‘U zult examens doen op algemene basis. Zo zijn de regels.’
Hij ging elk jaar als “steensnijder” door de commissie.
Op zijn afstudeerpracticum “vierde” hij voor het eerst niet bij een sterke golf – veertien jaar training met zijn evenwichtsorgaan.
Garka had onder zijn commando een reeds droog waar vervoerend schip, toen men hem nog op de lange baan schoof als derde hulp. Daarna was hij vier jaar tweede hulp. Daarna eerste. Daarna gaven ze hem en zestienduizend-tanker, met een bemanning van achtentwintig leden.
In de rederij waren ze gewend aan de ongewone kapitein en besloten geen bijzondere aandacht meer aan hem te schenken, zolang die aandacht niet opnieuw optrad, reeds op een welwillende manier, toen de derde reparatiecommissie achtereen hem als meest betrouwbare kapitein van de rederij erkende. Op negenendertig jaar werd hij, als uitzondering op de instructie, kapitein van een transatlantische lijnboot. Een kapitein op een lijnboot zonder beroepskeuze.
Hij kwam met verlof, liep over de binnenplaats langs de acacia naar huis en zei iedere keer tegen zijn ouder wordende ouders: “Alles goed?” – en opende zijn koffer met overzeese cadeautjes.
‘Moet je kijken’, antwoordde vader.
‘Ik heb nooit getwijfeld, dat mijn zoon in elk geval iets zou bereiken’, zei moeder en keerde zich enkele seconden om met haar doek.
Op zevenenveertig jaar ging de kapitein-leraar van de kleine vloot in augustus in Vladivostok aan wal. Vijf brede galons van oud goud vertoonden een bleke weerschijn op zijn witte tropenuniform. Een brede pet van het Londense soort beschermde zijn gebruinde gezicht tegen zonlicht. De zon verzilverde zijn grijze slapen met effect. De jongetjes uit Vladivostok die al veel zeelui gezien hadden keken hem achterna.
Het paleis was ingeschreven bij de kade, als iets kostbaars in de kas. Zijn lijnen waren natuurlijk en schoon, alsof er een licht opging. De witte vlakken van de lucht zweefden en werden verbrijzeld in de blauwgroene golven en het vonkelende schuim van de branding.
Een harmonisch konvooi dat de pilaren omringde ging uiteen naarmate het dichterbij kwam. Een grillig licht ging liggen op het beeldhouwwerk van de frontons en het fries, vooruitlopend op het gevoel van een stokkende inademing.
De excursiebegeleider sprak de gebruikelijke tekst uit, en zijn zachte woorden verspreidden zich, zonder duidelijkheid te verliezen, over de ruimte: “…een uniek ornament…internationale premie…nazaten…”
De kapitein herinnerde zich de achternaam, die door de gids genoemd werd. Deze bleef in zijn geheugen vanaf die dag, die grote dag, dat hij kon… hij kon in weerwil van het lot, in weerwil van alles… Het was de achternaam van dat jongetje, een snijder, die hondertachtig had op die bewuste ochtend, en hij had honderdtweeënnegentig. Sjarapanjoek was zijn achternaam.
Het schip voer ’s nachts de zee op. Rijpe augustussterren schommelden in de golven. Een streepje van havenlichtjes doofde uit achter de horizon. De kapitein stond op de open vleugel van de brug. Hij deed zijn pet af, en de wind verroerde zijn dunner wordende haar.
‘Ik ben de beste kapitein van de rederij’, zei de kapitein en stak een sigaret op.
En slechts een briesje van somberheid rinkelde als een in de nacht verloren belletje.


Vertaald door: Carel Schouten


Laatst gewijzigd: 27.05.04