Op een augustus, een maand voor het begin van de
lessen op school, werd Genka door zijn moeder naar het Instituut voor
Beroepskeuze gebracht. Genka was niet bang en maakte zich geen zorgen,
zoals de anderen. Hij had niets om zich zorgen over te maken. Hij wist
dat hij zeeman zou worden. Zijn kamer had hij volgestopt met modellen
van zeilschepen en lijnboten. Hij was zelfs op de hoogte van de ietwat
ouderwetse vlaggentekens en de morsetaal. En hij kon zich met een kompas
oriënteren.
En daar had je Garka. Garka, ja, die wond zich op. Hij trippelde dichtbij
zijn moeder, zweette en zag bleek. Gisteren had hij Genka gesmeekt of
hij na hem de test kon afnemen. Hij aapte alles van Genka na. Hij maakte
de modellen na, en hij bedelde een matrozenblouse voor zichzelf af, nadat
Genka als eerste de binnenplaats was opgelopen met een blouse aan. Hij
wilde ook zeeman worden. Hij had geen medelijden met Genka. Alsjeblieft
zeg. De zee is groot genoeg voor iedereen. Zo zelfs: Als Genka kapitein
wilde worden, dan nam hij Garka als hulpje met zich mee op het schip.
Vanaf de zonnige weg liepen ze de koude vestibule van de polikliniek in.
Moeder haalde een nummertje voor Genka om tien over half elf. Het nummertje
voor Garka was om tien voor elf.
In de rij wachtten en smachtten nog een man of vijf. Drie meisjes zaten
voornaam en waardig; meisjes… wat viel er bij hen te halen, eerst
hebben ze poppen, daarna kinderen – dat is hun hele belangstelling.
Een paar jochies maakten zachtjes ruzie, opgewonden en onzeker als ze
waren.
Het Instituut voor Beroepskeuze is niet zomaar iets, dat had iedereen
wel door.
Genka was aan de beurt. Hij stapte met zijn moeder de witte deur in.
‘Houd je ondergoed aan’, zei de verpleegster. ‘En u’,
tegen moeder, ‘wacht u hier met de kleding.’
Genka ging alleen het kabinet binnen. De dokter bleek helemaal niet zoals
gedacht; hij was niet oud en had geen bril op, maar hij was jong en zonder
bril. Vanonder de doktersjas stak een nauwe spijkerbroek.
‘Ga zitten, adelaar!’ zei hij en leidde Genka naar een hoge
stoel. ‘Stil blijven zitten’, zei hij en knipte de schakelaars
aan van een enorme, de hele muur bedekkende machine met lichtjes en schermpjes.
Hij haalde van de stellages een gedrukt pakje kaartjes en legde die op
een apparaat. ‘Maak je niet ongerust’, zei hij vrolijk en
geruststellend, anders zou je kunnen denken dat Genka zich ongerust had
gemaakt.. ‘hm’. Op het hoofd van Genka deed de dokter een
soort kroon, aan elke tand stak een heel dun draadje achter zijn stoel.
Vergelijkbare dingen plaatste de dokter snel op zijn linkerhand en rechterbeen.
Ook plakte iets van een speen op de borst. ‘Zo. Adem in. Adem uit.
Ontspan je. Ga rustig zitten en probeer nergens aan te denken. Alsof je
slaapt…’ zei hij en draaide aan een groen hendeltje. De machine
begon zachtjes te zoemen… ‘Dat is alles’ verklaarde
de dokter en haalde de toestellen van Genka af.
‘Dokter, ben ik een zeeman?’ vroeg Genka zelfverzekerd om
helemaal gerustgesteld te zijn.
‘Wacht even…’ De dokter opende het apparaat, haalde
er de kaartjes uit, drukte op een knopje, en de machine wierp een geponst
kaartje uit in een korfje. ‘Wil jij zeeman worden, jongeman?’
‘Dat spreekt voor zich’, zei Genka toegeeflijk.
‘Oho! Honderdtweeënnegentig!’ De dokter trof Genka met
een lange aandachtige blik. ‘Honderdtweeënnegentig! Gefeliciteerd,
jongeman.’
‘Word ik admiraal?!’ zei Genka en sprong op.
Na een pauze antwoordde de dokter zacht:
‘Waarom nu juist admiraal?’
Of het nu kwam door de intonatie van zijn stem, of nog door iets anders
vreemds, het werd Genka plotseling troebel voor de ogen.
‘Wat… daar…?’ sprak hij, worstelend met een aanval
van misselijkheid.
De dokter was verzekerd, vrolijk, welwillend:
‘Een schitterend, zeldzaam beroep. Steensnijder! Vind je dat niet
leuk?’
‘Wat is dat nou?’ bracht Genka fluisterend uit, terwijl hij
op zijn benen ging staan tussen de in duigen gevallen brokstukken van
zijn wereld, en hij schudde zijn hoofd, ‘wat nou voor snijder!?’
De verpleegster kwam aanlopen en legde een goedaardige handpalm op zijn
voorhoofd en bracht iets naar het gezicht. Door de bijtende geur sneed
het van binnen en er kwamen tranen naar buiten, maar het ging dadelijk
weer over, en het werd weer bijna normaal.
‘Je bent wel een zenuwachtig mannetje’, zei de verpleegster
lief en streek hem over zijn bolletje.
‘Een zeldzaam en schitterend beroep’, herhaalde de dokter
overtuigd en gewichtig. ‘En je hebt er een enorme aanleg voor. Het
is me wel een ochtendje, nietwaar?’ zei hij tegen de verpleegster.
‘Om negen uur was dat jochie er… Sjarapanjoek geheten…
een steensnijder, honderdtachtig. Nu is die waarschijnlijk honderdnegentig,
nietwaar?’
‘En ook snijder?’ de verpleegkundige keek op een bijzondere
manier naar Genka en zuchtte. ‘Wat een talent…’
‘Kijk toch eens naar zijn neergeslagen houding.’ De dokter
kwaakte zelfs. ‘En hij zal begrijpen hoe alles zit, hij zal zijn
neus nog in de wind steken, zich verheffen. Je zult nog beroemd worden,
knulletje.’
‘Ik wil niet beroemd worden’, zei Genka bitter. ‘Ik
ben toch zeeman…’
Moeder had meteen alles door, toen Genka terug de wachtkamer inging. Ze
nam het beroepsformulier inn handen. Haar gezicht klaarde op. Opgewonden
kuste ze Genka ergens tussen zijn neus en oog en ging zelf zijn hemd aandoen,
alsof hij klein was.
‘Schitterend, zoonlief’, zei ze. ‘Fantastisch! We gaan
meteen naar de kunstacademie.’
‘Ik ga naar de zeevaartschool’, antwoordde Genka onverzoenlijk.
Moeder beet op haar lippen.
‘Goed’, zei ze. ‘Laten we nu naar huis gaan. Laat pappa
maar komen, dan komen we er samen wel uit’
Genka zat nors op de binnenplaats onder de oude struik van een acacia,
toen Garka hem daar opzocht. Garka glom zelfvoldaan.
‘Ze hebben de formaliteiten geregeld voor de zeevaartschool’,
pronkte hij. ‘Waarom heb je me niet opgewacht zoals we afgesproken
hadden? Je moeder zei dat je nu naar de kunstacademie gaat… Ik geloofde
dat natuurlijk niet’, vermeldde hij vertrouwelijk. ‘Wat is
jouw niveau? Dat van mij is eenennegentig! Bijna honderd! En wat is het
jouwe? Honderdeen?’
‘Duizend’, zei Genka, stond op en liep weg met zijn ogen afzijdig.
De huiselijke beraadslaging pakte niet al te best uit. Vader drong aan:
‘Je hebt alle capaciteiten voor een zeldzaam en voortreffelijk beroep.
Duizenden jongelui zouden dolgelukkig zijn in jouw positie. Luister naar
moeder en mij, zoonlief. Hoewel je volwassen bent, begrijp je nog niet
alles… In je vrije tijd kun je een kotter kopen en varen waarheen
je maar wilt.’
‘Kon de dokter zich niet vergist hebben?’ vroeg Genka zonder
enige hoop.
‘Wat…?’
‘Nou… Misschien was zijn machine kapot…’
Vader streek door zijn haren…
‘Ik ga naar de zeevaartschool’, zei Genka en begon te huilen.
De maand verliep vreselijk. De verrader Garka pestte hem op de binnenplaats
en pochte met zijn blauwe uniform. Genka antwoordde op niemands vragen
(iedereen, zo leek het hem, denkt alleen aan zijn ongeluk en smaad). Hij
weigerde in het geheel naar buiten te gaan om te wandelen. Moeder en vader
keken elkaar aan.
Dertig augustus zei moeder:
‘Gena. Je bent al groot. Overmorgen moet je naar school. Jij bent
een steensnijder. Snap je? Wat je ook mag worden, je bent en blijft een
steensnijder. Naar een zeevaartschool gaan is, nou… als een vogel
die gaat leren een vis te zijn.’
‘Meeuwen zwemmen…’ zei Genka.
‘En bovendien wordt allereerst alles aan jongelui met beroepskaart
verleend, snap je?’
‘Ja hoor’, zei hij koppig.
De volgende dag brachten moeder en hij zijn documenten naar de zeevaartschool.
De vervanger van de directeur nam zijn beroepskaart ter hand, keek Genka
met enige verbazing strak aan, daarna moeder, daarna weer naar de kaart
en schudde het hoofd.
‘Als ik u was’, ried hij aan, ‘zou ik hem zonder enige
twijfel naar de kunstacademie sturen.’
Moeder zakte onhandig ineen en sloeg haar handen in de lucht:
‘Hij wil… Droomde… Hij moet ook leven.’
‘Als hij ouder wordt zal hij het wel begrijpen. Hij zal er dankbaar
om zijn.’
‘Dat zal ik niet’, verzekerde Genka droefgeestig. Hij wachtte,
door wanhoop geplaagd.
‘Welaan’, zei de vervanger van de directeur en kuchte. ‘We
nemen je natuurlijk aan. Karakter heb je, dat is al heel wat. Maar je
zult het moeilijk krijgen, houd daar rekening mee, jonge vriend. Heel
moeilijk.’
‘Dat zij dan zo’, zei Genka met onverwacht slapper wordende
stem en voor het eerst deze maand haalde hij gelukkig adem. ‘Zeelieden
hebben het altijd moeilijk!’
Na een week begreep Genka wat beroepskeuze is. Garka liep al lang op de
binnenplaats, terwijl hij nog zijn huiswerk aan het maken was. De klas
had al drie opgaven af, terwijl hij nog op de eerste ploeterde. Iedereen
had zich het nieuwe materiaal al eigengemaakt, terwijl hij nog met het
oude bezig was en vragen stelde. Het eerste halfjaar voltooide hij als
laatste van zijn klas.
‘Wil je niet overgaan naar de kunstacademie, zoonlief?’ vroeg
zijn moeder bedroefd. ‘Ze zullen je daar altijd aannemen. Denk er
maar over na!’
‘Nee!’ gooide Genka eruit en zijn wenkbrauwen bewogen van
woede. ‘Nee!’
Hij ging als laatste over naar de derde klas. In de derde klas rukte hij
in de tabel van studievorderingen twee regels op naar boven.
‘Zo standhouden’, zei de vervanger van de directeur, terwijl
hij hem in de gang tegenkwam. ‘Dat waardeer ik!’
In de zesde klas werd Genka een bezienswaardigheid. Hij werd opgenomen
in een commando, dat gestuurd was naar de olympiade van zeevaartscholen.
Het commando behaalde de derde plaats. Genka was de enige deelnemer van
de olympiade zonder bijpassende beroepskeuze. Garka was niet in het commando
opgenomen.
Het bewustzijn van de noodzaak meer te doen, dan van anderen geëist
wordt, meer dan de anderen doen, raakte ingeworteld in hem en werd de
norm. Hij wende zich aan de hele avond met studiemateriaal bezig te zijn,
om op de volgende les datgene te weten waarvoor volgens het programma,
samengesteld met rekenschap van beroepskeuze, één lesboek
toereikend was.
Genka eindigde de zeevaartschool als tiende wat studievorderingen betreft.
Dat bleek heel erg noodzakelijk. Aangezien hij bij het eerste tiental
behoorde, verkreeg hij het recht op toetreding tot de Hoge Zeevaartinrichting
zonder examens.
Bij de medische commissie doorliep hij een onderzoek voor beroepskeuze.
“Steensnijder. Honderdeeneentachtig”, - volgde de niet aan
appèl onderworpen zijnde conclusie. De commissie staarde Genka
onbegrijpend en vragend aan.
‘Ja’, zei Genka. ‘Nou goed. Ik ben zeeman.’
De commissie bladerde zijn karakteristieken door.
‘U zult examens doen op algemene basis. Zo zijn de regels.’
Hij ging elk jaar als “steensnijder” door de commissie.
Op zijn afstudeerpracticum “vierde” hij voor het eerst niet
bij een sterke golf – veertien jaar training met zijn evenwichtsorgaan.
Garka had onder zijn commando een reeds droog waar vervoerend schip, toen
men hem nog op de lange baan schoof als derde hulp. Daarna was hij vier
jaar tweede hulp. Daarna eerste. Daarna gaven ze hem en zestienduizend-tanker,
met een bemanning van achtentwintig leden.
In de rederij waren ze gewend aan de ongewone kapitein en besloten geen
bijzondere aandacht meer aan hem te schenken, zolang die aandacht niet
opnieuw optrad, reeds op een welwillende manier, toen de derde reparatiecommissie
achtereen hem als meest betrouwbare kapitein van de rederij erkende. Op
negenendertig jaar werd hij, als uitzondering op de instructie, kapitein
van een transatlantische lijnboot. Een kapitein op een lijnboot zonder
beroepskeuze.
Hij kwam met verlof, liep over de binnenplaats langs de acacia naar huis
en zei iedere keer tegen zijn ouder wordende ouders: “Alles goed?”
– en opende zijn koffer met overzeese cadeautjes.
‘Moet je kijken’, antwoordde vader.
‘Ik heb nooit getwijfeld, dat mijn zoon in elk geval iets zou bereiken’,
zei moeder en keerde zich enkele seconden om met haar doek.
Op zevenenveertig jaar ging de kapitein-leraar van de kleine vloot in
augustus in Vladivostok aan wal. Vijf brede galons van oud goud vertoonden
een bleke weerschijn op zijn witte tropenuniform. Een brede pet van het
Londense soort beschermde zijn gebruinde gezicht tegen zonlicht. De zon
verzilverde zijn grijze slapen met effect. De jongetjes uit Vladivostok
die al veel zeelui gezien hadden keken hem achterna.
Het paleis was ingeschreven bij de kade, als iets kostbaars in de kas.
Zijn lijnen waren natuurlijk en schoon, alsof er een licht opging. De
witte vlakken van de lucht zweefden en werden verbrijzeld in de blauwgroene
golven en het vonkelende schuim van de branding.
Een harmonisch konvooi dat de pilaren omringde ging uiteen naarmate het
dichterbij kwam. Een grillig licht ging liggen op het beeldhouwwerk van
de frontons en het fries, vooruitlopend op het gevoel van een stokkende
inademing.
De excursiebegeleider sprak de gebruikelijke tekst uit, en zijn zachte
woorden verspreidden zich, zonder duidelijkheid te verliezen, over de
ruimte: “…een uniek ornament…internationale premie…nazaten…”
De kapitein herinnerde zich de achternaam, die door de gids genoemd werd.
Deze bleef in zijn geheugen vanaf die dag, die grote dag, dat hij kon…
hij kon in weerwil van het lot, in weerwil van alles… Het was de
achternaam van dat jongetje, een snijder, die hondertachtig had op die
bewuste ochtend, en hij had honderdtweeënnegentig. Sjarapanjoek was
zijn achternaam.
Het schip voer ’s nachts de zee op. Rijpe augustussterren schommelden
in de golven. Een streepje van havenlichtjes doofde uit achter de horizon.
De kapitein stond op de open vleugel van de brug. Hij deed zijn pet af,
en de wind verroerde zijn dunner wordende haar.
‘Ik ben de beste kapitein van de rederij’, zei de kapitein
en stak een sigaret op.
En slechts een briesje van somberheid rinkelde als een in de nacht verloren
belletje.
Vertaald door: Carel Schouten
|