De krab en de aap (Chinees sprookje)
| Er waren eens een krab en een aap. Toen zij tezamen uit wandelen gingen
vond de krab een rijstbal en de aap een dadelpit. De aap kreeg wel trek
in de rijstbal en stelde voor aan de krab: 'Als jij me die rijstbal geeft,
schenk ik je mijn dadelpit. Wanneer je die plant, zul je na een tijdje een
dadelboom hebben met lekkere dadels erin'. De krab ging akkoord en plantte
de pit met verse pootaarde. Na enige tijd groeide de pit uit tot een mooie
boom en de krab kon er lekker dadels van eten. Toen de aap dat zag, vroeg
hij of hij ook wat dadels uit de boom mocht eten. De krab ging akkoord en
de aap klom de boom in. Van daaruit gooide hij een onrijpe harde dadel naar
de krab en plotsklaps brak daarop diens schaal. De krab was op slag dood
en de aap lachte in zijn vuistje. Toen de kindertjes van de krab hierachter kwamen, krabbelden ze naar moeder wesp, en zeiden ze wat er was voorgevallen. Vervolgens kwamen ze meneer kastanje tegen en vertelden alles. Tot slot spraken ze ook een koeienvlaai en een vijzel en deden de smartelijke gebeurtenis uit de doeken. Allen waren het erover een dat de aap een snode daad had verricht en stemden in de aap op zijn falie te geven. De aap kwam thuis en had het koud. Toen hij voor het haardvuur ging zitten, sprong daaruit de gloeiend hete kastanje. De aap gilde en rende naar een teil water om zijn brandwonden te begieten. In die teil zaten echter de kleine krabbetjes, en die knepen de aap met hun scharen waar ze maar konden. Brullend van pijn rende de aap naar de deur, maar daar wachtte de wesp om hem in zijn achterste te steken. Krijtend van pijn sloeg de aap de deur dicht, maar toen viel de vijzel op zijn bakkes. De aap was daarop morsdood. |
Uit: Sprookjes.nu
Laatst gewijzigd: 21.04.04