De geest en de zoon van de sultan

Dit sprookje gaat over een sultan die over enorme rijkdommen beschikte maar toch niet gelukkig was: al jaren verlangde hij namelijk naar een zoon. Op een dag werd hij bezocht door een boze geest die hem een toverdrankje kwam aanprijzen: als zijn echtgenote dat zou drinken zou zij een drieling baren. De sultan wilde de geest in ruil daarvoor overladen met rijkdommen, maar die hoefde de geest niet te hebben. De geest wilde een van de kinderen in ruil voor zijn diensten. De sultan ging akkoord en al gauw beviel zijn vrouw van een drieling. En toen kwam de boze geest om een van de kinderen mee te nemen om bij zichzelf op te voeden. Hij nam uiteraard de slimste van de drie. Toen de jongen zelfstandig genoeg was om zelf door het huis van de geest te lopen kwam hij in een kamer waar hij heel veel beenderen zag, zowel van dieren als van mensen, naar het scheen. Toen hij nog een kamer binnenliep ontmoette hij daar een paard. Het paard zei dat de geest hen allen wilde opeten. Om aan een gewisse dood te ontsnappen moest de jongen dezelfde avond nog de geest tijdens de voorbereiding van de maaltijd in de kookpot duwen. Daarna kon hij op de rug van het paard ontsnappen aan het boze geestenrijk. Zo gezegd zo gedaan: de geest werd in zijn eigen kookpot gestoofd en opgegeten door andere geesten. De jongen, die inmiddels tegen de volwassenheid aanliep, arriveerde in het rijk van de sultan, eigenlijk dus zijn vader. Toen hij aan het hof kwam, werd hij warm ontvangen en overladen met cadeaus. Uiteindelijk trouwde hij met de mooiste vrouw van het rijk. Het paard dat de jongen gered bleef een speciale plaats in het hart van de jongen houden en mocht in de mooiste stal van het sultanpaleis verblijven.

Uit: Swahili sprookjes, ISBN 90389 01453 / CIP


Laatst gewijzigd: 22.01.04