| De rechtschepper
Als buitenlanders mij vragen wat het nu is dat mij tot Nederlander maakt,
sta ik vaak met een mond vol tanden. Ja, ik woon op de Crack-State in
Amsterdam, daar kan ik niet omheen praten. Maar als het nu gaat om een
specifiek Nederlandse gewoonte, zoals haring happen, met een plezierbootje
op de Vinkeveense plassen dobberen of met een opblaasbaar oranje kroontje
Raymond van Barneveld pijltjes te zien werpen, dan heb ik steeds het idee
dat ik me daar eigenlijk het liefst zo ver mogelijk van distantieer.
Toch is er een eigenschap, die ik vooral in mijn kinderjaren op vakantie
cultiveerde, die vanuit een diachroon perspectief als uitermate Hollands
beschouwd kan worden. Overal waar ik vroeger kwam waar water stroomde,
had ik de oerdrift dammen te bouwen. Als we op een vakantiebestemming
aankwamen verkende ik met mijn broertje allereerst het omliggende terrein
op beekjes of kleine riviertjes. Als die er waren, begonnen we deze op
blote voeten en opgestroopte broek als een gek met stenen af te dammen,
om zodanig een droge overbrugging te vormen, maar ook om een stuwmeer
te creëren en de kracht van het water op een andere manier te kanaliseren.
Op het strand deden zich tijdens de zomervakanties vergelijkbare taferelen
voor. Ik wilde met de handdoeken en de hele santenkraam bij laag water
altijd zo dicht mogelijk bij de branding plaatsnemen. Zo viel er territorium
te verdedigen bij het wassende water. Ik schepte doorgaans een hoge ringdijk
om onze spullen daartegen te weren. Het doel was bereikt wanneer het water
langs de dijken was gestroomd en we met de branding achter ons derhalve
op een eiland beland waren. Dit kwam echter maar heel zelden voor. Vaak
kalfde de dijken door toedoen van de golfslag zodanig af, dat al snel
naar hogerop geëvacueerd moest worden.
Toch zijn er op het strand een aantal memorabele bouwwerken mede door
mijn handen tot stand gekomen. Zo herinner ik me een kolossale dijk van
stenen en zand die we tijdens een vakantie in Engeland hadden aangelegd
om een in zee uitstromende beek te stremmen. Het stuwmeer dat daardoor
ontstond was zo diep dat ik er tot m’n middel in kon staan. Bij
vertrek staken we de dijk door, waarop een ware vloedgolf het gevolg was.
Aan de Nederlandse stranden kun je deze eer echter vaak niet aan jezelf
houden. In het zomerseizoen komt de rechtschepper (overigens doorgaans
geen jurist) tegen zessen langszij om alle creaties van kinderhanden met
een grote spade te vereffenen, om daarmede te voorkomen dat mensen die
tegen het vallen van de nacht nog een strandwandeling willen maken hun
nek breken. Ergens is dit in ons overbevolkte landje wel een goede gedachte,
maar ik vond het toch maar bar onrechtvaardig dat mijn uit zand opgetrokken
creaties, waaraan ik de dag daarop eigenlijk nog verder wilde bouwen,
elke avond rücksichtslos tegen de vlakte gingen. Bij wijze van verzet
heb ik tijdens een beroepsvoorlichtingsdag in de RAI tot in den treure
laten informeren over het vak van een baggeraar.
|