| Het witte wief
De buurt waarin ik ben opgegroeid kenmerkt zich door een hoog vergrijzingsgehalte.
Slechts op enkele huisnummers in mijn straat woonden kinderen, met wie
mogelijkerwijs gevoetbald kon worden, ware het niet dat ik een godsgruwelijke
hekel aan voetbal had.
Oude bejaarde vrouwtjes, door mijn broertje en ik spottenderwijs “wieven”
genoemd, waren er echter des te meer. Om te beginnen was er het witte
wief, vernoemd naar de luchtgeesten uit de Germaanse mythologie, vaak
als boosaardig beschouwd, bewoonsters van holen en andere schuilhoeken,
die zij nu en dan verlaten om geluk, ongeluk of toekomstige gebeurtenissen
te voorspellen en aanwijzingen te geven waar zich ontvreemde of verloren
goederen bevinden. Ons witte wief woonde echter niet in een hol, maar
schuin tegenover ons met een aanpalende tuin. Zij was heel gevoelig voor
geluidsoverlast, zelfs midden op de dag, als wij vrolijk aan het spelen
waren. Ze kon dan ons of onze buurman opbellen met een scheldserenade.
Mijn buurman heeft haar toen eens gezegd, dat wanneer ze in alle rust
wilde leven, ze dan maar naar het zandpad in Breukelen moest verhuizen.
Ook had het wief er veel bezwaar tegen wanneer mijn broertje en ik bij
haar de tuinenloop deden, een strooptocht door andermans tuinen meestal
om onze katten in het nekvel te grijpen voor het vallen van de nacht.
Naar analogie van het witte wief, dienden zich in onze buurt ook andere
wieven aan. Zo was er het kruiwagenwief, dat haar naam dankte aan een
incident vlak voor haar huis. Een vriendje en ik deden nietsvermoedend
met mijn vaders kruiwagen een ronde om het stratenblok, waarop zij haar
hoofd uit een zolderraampje stak en ons ten onrechte toesnauwde dat we
die kruiwagen gestolen hadden.
Voorts was er het krottigautowief, of ook wel het dagzeggerswief genoemd.
Zij had een krottige, tot op de draad versleten auto, waar ze echter heel
gesteld op was. Toen wij op de straat stonden te ballen in de buurt van
haar auto, kwam ze eens naar buiten gestoven om ons het ballen te doen
stoppen. Ze jelde ons toe: “jullie gooien mijn autolampen stuk en
dat kost duizenden guldens!”. De benaming “dagzeggerswief”
heeft ze gekregen doordat ze elk bezoek uitgeleide deed door uitgebreid
en luidkeels “nou da-ag, da-ag, da-ag!” te roepen. Zelfs als
haar man de deur uitging om een doosje sigaren te kopen.
Dan was er nog het krottighuiswief, dat in een heel bouwvallig, afgebladderd
huis woonde. Toen zij kwam te overlijden ging de sloperskogel tegen haar
domicilie, waarbij de voordeur overeind bleef staan, met daarop de legendarische
woorden: “geen bloemen of rouwbeklag”.
Tot slot was er nog het skelterwief. Ik was eens met mijn broertje door
de Amstelveense plantsoenen aan het skelteren, toen opeens een deur openvloog
en een oud wijfje tegen ons begon te vuilbekken en ons toeschreeuwde:
“Dat doen jullie in jullie eigen tuin toch ook niet?!”. Waarop
wij verongelijkt antwoordden: “juist wel!”. Zo zie je dat
er in onze wijk meer te beleven was dan bij Harry Potter in vier boeken
tezamen!
|