| Brokkenpiloot
Een van mijn eerste herinneringen is misschien puur een hersenspinsel geweest, maar dan wel een met grote gevolgen. Ik was nog een kleuter toen ik nietsvermoedend in de tuin speelde van de boerderij aan het IJsselmeer waar ik toen woonde. Het was een grijze dag, maar de bries van over de dijk had een zacht en alledaags karakter. Toch viel er juist op die dag iets voor dat mij tot op heden als markante gebeurtenis is bijgebleven. Gapend keek ik toe hoe uit de deur onze auto ineens in zijn achteruit naar buiten kwam gereden. Mijn vader was op dat moment de houten muren van onze boerderij met pek aan het dichtmaken, en mijn moeder was op de schommelstoel een boek aan het lezen. Het was mijn broertje, die het voor elkaar had gekregen het portier te openen, in de auto te klimmen, deze van de handrem af te halen en zo pardoes achteruit de garage uit te rollen. Hij kan toen niet ouder dan drie jaar geweest zijn, aangezien we voor zijn vierde verjaardag naar elders zijn verhuisd. Met dit in het achterhoofd ben ik mijn eerste stuurmanservaring aangegaan. Dat was eerst allemaal nogal onschuldig met blokkerige computerspelen, waarin je andere weggebruikers verrot moest rijden en door flink op het virtuele gaspedaal te stampen gillende politiesirenes van je af moest schudden. Ik heb echter in die spelen meer van de vangrail en de veelal met cactussen begroeide berm gezien dan van het daadwerkelijke wegdek. Mijn eerste “echte” rijervaring verliep in die geest. Op vakantie in Italië zat ik, wederom met mijn broertje, in de auto op een parkeerterrein. Onze ouders waren er even op uit om brood, tomaten en mozzarella te kopen. Het was in deze overtuiging dat ik – voor zover mijn geheugen mij niet in het ootje neemt – het contactsleuteltje omdraaide en ons vehikel hortend in beweging bracht. Adrenalinestromen kwamen net zo snel aangegutst als de auto weer tot stilstand kwam. Vele jaren later maakte ik met de studievereniging van mijn opleiding een tripje naar Praag. We hadden daartoe twee busjes gehuurd, waarin we de hele nacht zouden doorkachelen. Vlak na een plaspauze op een Duitse raststätte gebeurde er iets, wat op een catastrofe had kunnen uitdraaien. Een van de reisgenootjes, sinds een week de trotse bezitter van een rijbewijs, wilde wel eens achter het stuur kruipen. Maar hij had nog niet de kans geheel de invoegstrook af te rijden, of hij werd geramd door een 160 kilometer per uur rijdende mercedes die plots van de linker rijbaan afweek. De mercedes was ter plekke tot een stuk schroot getransformeerd, terwijl ons busje alleen blikschade en een gebroken lamp aan de achterzijde had. Wonder boven wonder is bij het ongeval niemand gewond geraakt. Wel werd het incident onder de groep een voor op de tong liggend gespreksonderwerp, ook bij een met ons meereizend promovendus theoretische wiskunde. Deze ietwat wereldvreemde, doch vriendelijke studiebol had het tot hobby gemaakt alle belangrijke wegennetten ter wereld te memoriseren. Zo kon hij honderden interstates en provinciale wegen in de Verenigde Staten opdreunen. Zo kon hij ook in het busje uit sluimering ontwaken, en terwijl we verstrikt zaten in de wegenwirwar van het Ruhrgebiet uit het hoofd de exacte aanwijzingen verstrekken om ons weer op de route te krijgen. Toen ik hem echter vroeg naar zijn kennis van onverharde wegen in Namibië, antwoordde hij met enig schaamrood op de kaken dat hij van dat land maar zo’n dertig wegen kende. Op de vraag of hij over een rijbewijs beschikte, prevelde hij: “nee, en het lijkt me ook heel erg moeilijk om dat te halen... Zelfs in een automaat zou ik waarschijnlijk nog een gevaar op de weg vormen”. U kunt door het hierboven beschrevene begrijpen dat ik met lichtelijk lood in de schoenen begon met het nemen van rijlessen. Tijdens mijn eerste les leken mijn angsten enigszins gesust door mijn beheersing over het stuur, maar hernieuwde verontrusting rees toen ik voor iedere overstekende voetganger en fietser uit humanitaire overwegingen keihard op de rem ging staan. Mijn rij-instructeur verzekerde me dat het volk dat zich op zebrapaden begeeft heus wel doorgaat met bewegen en dat mijn abrupte remgedrag een heel normale reactie is bij veel beginnelingen. Later kwam mijn rij-instructeur bij mijn onoplettendheden wat berispender uit de hoek, al was dat wel steeds met een geestig beoogde inslag. “Wat zullen jij en ik straks eens bij het beklimmen van de trap tegen Sinte Petrus zeggen”, of wanneer ik eens een voetganger niet goed in het vizier had: “Zeg, ik denk dat die mevrouw kerstavond waarschijnlijk toch liever met een kalkoen op tafel wil doorbrengen dan met een infuus op de intensive care!” Zo kwam ik tot het besluit mijn rijlessen maar voorlopig op te schorten. Allereerst om angstbeelden van mogelijke rampenscenario’s uit te bannen. Maar wat schetst nu mijn verbazing dat ik, inmiddels jaren nadien, in mijn slaap geplaagd wordt door een droom, waarin de dwang der noodzaak het mij gebiedt om met minder dan twintig meter zicht en een vuistdikke laag ijzel onze minister-president van hot naar her te rijden, en dat zonder rijbewijs of enige vorm van legitimatie. Vandaar mijn poging terug te graven in het verleden naar de wortels van deze nachtmerrie. Achteraf gezien moet ik mijn broer hiertoe buiten schot laten; wat ik in het begin vertelde was waarschijnlijk eerder een dagdroom of een flauw visioen. Mijn broer is nu op zowel vier als twee gemotoriseerde wielen een uitstekend chauffeur die voor mijn falen op stuurmansgebied geen enkele blaam treft. |
Laatst gewijzigd: 2 november 2004