De krantenjongen

Mijn eerste betaalde werkzaamheden betroffen een krantenwijk. In weer en wind bezorgde ik tal van kranten door heel Amstelveen. Een aantal herinneringen daaraan zijn me bijgebleven. Zo was dat om te beginnen meneer de Groot. Meneer de Groot was geabonneerd op het Parool en woonde zeer uitmiddelpuntig in het midden van het Amsterdamse Bos. Hij had daar een houten poppenhuisje met rode luikjes en uitgezaagde harten daarin. Voor het raam stond bovendien een uit triplex gezaagde gans en tal van aardewerken kabouters. Nu was het zo dat vorige krantenjongens meneer de Groot nogal eens oversloegen en daardoor ontslagen werden. Mij werd dus op het hart gedrukt deze abonnee nooit over te slaan. En dat heb ik dan ook nooit gedaan. En wat was mijn beloning daarvoor? Eén miezerige gulden bij het aanbieden van het nieuwjaarskaartje tijdens de feestdagen!
Later heb ik nog voor dag en dauw de Telegraaf bezorgd. Daarvoor moest ik al om half zes in de vroege morgen uit de veren. Als ik dan de avond ervoor aan een drinkgelag had deelgenomen en nog behoorlijk beneveld was, zwalkte ik zwierig heen en weer op mijn fiets met op mijn bagagedrager een propvolle krantentas. Een keer had ik het zo bont gemaakt dat ik halverwege mijn krantenwijk in de tuin van een abonnee even een dutje ging doen om vervolgens ruim twee uur later bij klaarlichte dag wakker te worden. Tientallen abonnees uit mijn wijk hadden inmiddels gebeld om hun beklag te doen over het uitblijven van hun krant.
Ook weet ik nog zo’n oud vrouwtje dat niets beters te doen had dan anderhalf uur voordat de krant op de mat viel voor het raam te gaan zitten wachten. Een keer had ik haar per abuis overgeslagen en toen stond mij de dag erna een persoonlijke reprimande te wachten. In een vlegelachtige bui ben ik eens expres twee keer langs haar huis gefietst, alsof ik haar weer had vergeten. Daarop stak ze haar hoofd uit het raam en begon ze me als een hond achterna te blaffen. Tja, dat zijn zo van die triviale dingen die je als krantenjongen meemaakt.